• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers Vriendin interview met ...


Renske de Greef


Renske de Greef (24) werd bekend als sekscolumnist bij het internettijdschrift Spunk. Met haar debuutroman Was alles maar konijnen bewijst ze dat ze ook heel goed over andere dingen kan schrijven. Na een half jaar Afrika sprak ze met Vriendin over hamsters die Mormel heten, nymfomane koeien en slangachtige meisjes. Én over konijnen, natuurlijk.  

Renske:

'Toen Jan en ik het plan opvatten om voor onbepaalde tijd naar Tanzania te gaan, grapten we tegen elkaar: 'Je zult zien, vlak voordat we weggaan krijgen we een nieuwe geliefde.' En dat gebeurde nog ook! Opeens was ik knetterverliefd. Verschrikkelijk onhandig. Mijn gevoelens afremmen was niet te doen en bovendien: dat wílde ik ook helemaal niet. Maar ons Afrikaplan afblazen? Dat was eveneens geen optie. 

Jan (Hoek, red) is mijn aller-allerbeste vriend. We kennen elkaar van de basisschool. Ik droeg door mijn oma gebreide truien en stak twee koppen boven iedereen uit. Jan had groen haar en las in de klas de rubriek Mijn Geheim voor uit de Hitkrant. Je kunt gerust stellen dat we allebei niet echt goed bij de anderen lagen. Toen er op een klassenavond een liedje van Grease opgevoerd zou worden, leek het iedereen wel de meest hilarische grap als ík Olivia zou zijn en Jan John Travolta. Dus wij, tegenstribbelend, samen dat dansje instuderen. Ik ontdekte dat Jan een hamster had die Mormel heette. Dat vond ik zó te gek. Dit kon dus óók, je kunt je dier gewoon een rotnaam geven in plaats van het eeuwige Flappie of Vlekje! Typisch Jan, die denkt buiten de normale kaders.  

Het is bijzonder dat Jan en ik dezelfde richting zijn opgegaan. Hij werd hoofdredacteur van Spunk, ik werd er columnist. In 2006 gingen we samen op reis voor mijn boek Seks in Afrika. Toen ontstond het plan om daar een tijdschrift te gaan maken voor toeristen. Want dat continent is zoveel méér dan negerkindjes met bolle buikjes of politieke onrust. We zegden ons leven hier op alsof het een telefoonabonnement was en kochten een enkele reis Tanzania. Helaas moesten we na uitgebreid vooronderzoek om persoonlijke redenen besluiten het project toch wat uit te stellen. Ik voelde me er ook niet zo op mijn plek. Best schrikken: ik had mezelf altijd als globetrotter gezien, als Vrouw van de Wereld die het overal wel zou redden. Maar opeens was ik bang dat ik toch een heel stuk huismusseriger was dan ik had gedacht. Ik miste mijn vriendje gewoon heel erg. En ik vroeg me af: kun je eigenlijk wel een nieuw leven beginnen als je nog zo met je gevoel in je oude leven zit? Tegelijk betwijfelde ik of het wel mogelijk was een prille relatie levend te houden als je al zo vlug zo ver uit elkaar zit.  

Toen bleek dat we ons project moesten uitstellen hoefde ik relatie-technisch geen drastische maatregelen te nemen. Toch ben ik na het vooronderzoek nog een tijd in Tanzania gebleven, want mijn vriendje zou een tijdje overkomen. Ook dát was bizar: na de twee maanden die ik in Nederland met hem had doorgebracht was ik ongeveer op het punt geweest dat ik ook wel eens géén mascara opdeed als hij kwam. Nu zaten we plotseling vijf weken op elkaars lip in een zo goed als leeg huis op plastic meubels rijst met bonen te eten. Hoewel het even wennen was, was het vooral heel erg leuk. In totaal ben ik een half jaar in Afrika geweest. Uiteindelijk viel het wel mee met mijn huismusserigheid. Op een andere plek wonen heeft gewoon tijd nodig. Op het laatst liep ik er toch gewoon rond alsof ik daar hóórde. Het is al met al een boeiende ervaring geweest. Ik heb er Swahili geleerd en aan mijn nieuwe boek gewerkt. Maar nu is het ook weer fijn om thuis te zijn, en onder het knagen van mozzarella-knoflook pizza’s lekker dvd’tjes te kijken op de bank.

Schrijven is mijn leven geworden. Toen ik ermee begon, op mijn zestiende, zag ik het gewoon als bijbaantje. Pas toen ik een wekelijkse column kreeg, begon ik het anders te zien, als iets heel belangrijks, iets wat ik graag wilde en waarvan ik ook het gevoel had dat ik het kon. Ik scheef in die tijd over seks en liefde, met veel persoonlijke ervaringen. Ik haalde een wrange genoegdoening uit dingen opschrijven waar ik me een beetje voor schaamde, zaken die net iets over de grens gingen. Ik wilde en wil over dingen schrijven die niet al driehonderd miljoen keer zijn uitgespuugd.  

Door mijn openhartige sekscolumns hebben sommige mensen een verkeerd beeld van mij. Ze denken dat ik schaamteloos ben en altijd zin heb. Soms begint een interviewer mij te vertellen hoe hij door zijn vriendin betrapt werd op het kijken van porno en wil dan weten of ik het ook niet héél belachelijk vind dat ze daar boos om werd. Zeker mannen denken dat ze mij alles kunnen vertellen of vragen. Dat is prima, zolang het maar op een leuke manier gebeurt. Dat een bepaalde radiopresentator eens om zes uur 's ochtends zijn radio-interview begon met de vraag of mijn poes geschoren is, vond ik níet leuk. Daar zit je dan, nog slaperig, net met lange tanden een broodje kaas naar binnen gewerkt. Ik vond het een onbeleefde, ordinaire vraag en op dat tijdstip wist ik echt niet ad rem te reageren. Eigenlijk kan ik dat op geen enkel uur van de dag. Ik ben niet voor niets schrijver; ik houd ervan om tijd te hebben om mijn zinnen te vormen, mijn timing en ritme exact te kiezen. Omdat ik in mijn stukjes grappig kan zijn, verwachten mensen dat ik dat in het echt ook ben. Maar ik ben best verlegen en ik kan ook snel geïntimideerd zijn.  

Een ander vooroordeel dat mensen door mijn columns hebben is dat ik meisjes haat. Dat is niet zo; ik ben alleen een beetje bang voor ze. Ik ben nu eenmaal meer een jongens-meisje. Zeker vroeger. Op de middelbare school vond ik meisjes truttig. Dat miezerige gepiep over nachtcrèmes en nagels, vreselijk. En dan dat onderhuidse. Meisjes hebben een feilloos gevoel voor slangachtige gemeenheid. Ze zeggen 'Ooooh, wat zie je er leuk uit!' op een toon dat je je ogenblikkelijk dik, lelijk en vadsig voelt. Ze vertrappelen je met hun naaldhakken. Maar tegenwoordig zie ik ook hoe lief meisjes kunnen zijn. Ze doen het lipje van je truitje goed, houden je haar uit je gezicht als je na een nacht dansen en veel wodka vreselijk moet overgeven. Die liefheid kan me heel erg blij maken.   

Was alles maar konijnen is mijn debuutroman. Zolang ik mij kan herinneren ben ik al gek op konijnen. Vooral door hun oren. Er is geen ander beest met zulke absurde, buitenproportionele oren. En ik vind het leuk dat ze er zo lief, onschuldig en zacht uitzien, maar toch heel vals kunnen zijn. Zoals het enige konijn dat ik ooit zelf had. Dat was een boos konijn. Een héél boos konijn. Hij gromde als je hem te eten gaf. Ik heb een keer een Franse spreekbeurt over hem gehouden. Ik herinner mij nog maar één zin: Il refuse de morire; hij weigert dood te gaan. Toen we hadden bedacht dat het vast leuk voor hem zou zijn om gezelschap te krijgen van een broertje uit een ander nest, beet hij zo diens ballen eraf! Toch gaat er niets boven konijnen, ik kan er niks aan doen. Het komt vast door mijn moeder. Ook zij is dol op deze dieren en heeft die voorliefde nogal dwingend doorgegeven; boven mijn wieg hingen al gefiguurzaagde konijnen.   

Ik heb ontzettend leuke ouders. Mijn vader is farmacoloog maar heeft biologie gestudeerd. Hij is afgestudeerd op nymfomane koeien. Die bestáán: die gaan elkaar bespringen als er te lang geen stier is langs geweest. En dan daar op afstuderen; als je dat hoort, dan hou je toch al meteen van die man? Briljant gewoon. Mijn vader weet veel, dat vind ik mooi, als mensen veel weten, en we kunnen geweldig leuk praten. Hebben we opeens een gesprek over met welk kruid je het beste iemand kunt vermoorden en hoe je dat dan door de groentesoep verwerkt. Mijn moeder is grafisch vormgeefster, heel lief en grappig en ook zij is heel talig. We werken samen aan een prentenboek over orks. Voor geliefden is het haast een onmogelijke opgave om bij ons Sinterklaas te vieren; mijn ouders maken prachtige gedichten in ollekebollekevorm of als haiku. Ik steel vaak grapjes van hen; het komt regelmatig voor dat mijn moeder een column van mij leest en dan roept: hé, dit heb ík gezegd! Dan heb ik nog een broertje, dat inmiddels al tweeëntwintig is – ongelofelijk gewoon, mijn kleine broertje! – en een heel stuk langer is dan ik. Heel leuk vind ik dat, nu heb ik tegelijkertijd ook een gróte broer.  

Ik ben opgegroeid in Utrecht. Later ben ik naar Amsterdam verhuisd, met Jan. We hebben daar een tijdje samengewoond, maar we kunnen alles goed met z'n tweeën, behalve dat. Hij ontpopte zich tot een ware interieurnazi, gooide stiekem de handdoeken weg die ik van mijn ouders had gekregen, om nieuwe te kopen in de juiste kleurcode. Ik ben iemand die zich erg aan spullen hecht, ik geef mijn spullen zelfs namen maar Jan vond dat ik veel te veel troep maakte. Dat is ook wel zo: ik ben een totale chaoot op pootjes. Als ik ontbijt, zie je aan het spoor van kruimels en etensresten precies wat ik gegeten heb. Jan kon daar niet goed tegen; hij vond dat de dingen precies moesten zijn hoe hij ze wilde. Ook mijn kleurige muurschilderingen kon hij niet zo erg waarderen.  

Nu woon ik weer in Utrecht maar ben ook vaak in Amsterdam. Bij mijn vriendje. Afrika hebben we overleefd en het is fantastisch om weer zo dicht bij hem te zijn. Ik vind het opmerkelijk dat je het zó leuk kunt hebben met iemand alleen al door samen te zijn. Het maakt niet uit wat we doen of waar we zijn; het is gewoon áltijd leuk. Hij is erg grappig en het is fijn dat iemand je de hele tijd kan laten lachen. En hij is heel open en leeft erg in het moment. We lijken erg op elkaar; we zijn echt vrienden. Maar gelukkig is er ook een enorme aantrekkingskracht. Grappig genoeg zijn we via de mail al verliefd geworden. Hij stuurde mij een berichtje over mijn boek, ik antwoordde hem, en zo ontspon zich een hele mailuitwisseling. Dat was superleuk; hij kon komisch en origineel schrijven en daar ben ik heel gevoelig voor. We hebben dat best een tijd volgehouden, tot we afspraken; toen namen onze feromonen het over. We hebben elkaar eindeloos besnuffeld en het was meteen goed. 

Samenwonen gaan we voorlopig niet doen. Eigenlijk ben ik wel het type dat direct samen een staafmixer wil gaan kopen maar dat nesterige kan ook al gauw voor sleur zorgen. Zo van: we gaan alleen met elkaar naar bed op woensdagavond want dan zijn we net wat minder moe. Voorlopig geniet ik nog lekker van het onverwachte, van de overweldigende verliefdheid. Dat je absoluut vreselijk móet zoenen in een restaurant, ook al is dat gênant. Als we ooit wel gaan samenwonen vermoed ik dat we ook wel wat wrijving over ons huis zullen krijgen, want we zijn allebei vrij koppig en eigenwijs en ik vermoed dat hij wel een wat andere smaak zal hebben dan ik. Maar ik denk dat hij uiteindelijk toch wel zal inzien dat een muurschildering van mijn hand de enige weg naar het ware geluk is!' 

Was alles maar konijnen (Uitgeverij Meulenhoff, 2007, € 17,50) gaat over Sara die in haar lege appartement tevergeefs vrienden probeert te worden met een gewond konijn. Contact met mensen maakt ze alleen via omwegen: door zelfhulplijnen en internetmarktplaatsen of door in een garderobe briefjes in jaszakken te stoppen. 's Nachts maakt ze lange wandelingen door de stad en gooit afwasmiddel in een fontein om de wereld mooier te maken. Ondertussen drijft haar opa langzaam af naar een andere waanwereld; die van dementie. Het is een ontroerend, hilarisch, sprookjesachtig, bizar boek, dat je veel laat lachen, maar ook huilen.  

Naam: Renske de Greef

Geboortedatum en – plaats: 19 februari 1984 Utrecht

Broers / zussen: een broer, Sjoerd

Relatie: Ja, met Sieger Sloot

Woonplaats: Utrecht

Opleiding: VWO en propedeuse Film- en Theaterwetenschappen.

Carrière: werd bekend als sekscolumnist bij Spunk. Boeken: Lust (2005), Seks in Afrika (2006), Ja/Nee, samen met Jan Hoek (2005). Was alles maar konijnen (2007).

Klik hier voor de blad-versie in PDF formaat  PDF bestand

Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide