• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers » Vriendin » artikel ...


Eerst was hij alcoholist, nu ik.


Toen Yvonne (36) verliefd werd op Martin, wist ze niet dat hij alcoholist was. Hij dronk toen namelijk helemaal niet. Pas toen ze hem al enige tijd kende, zag ze hem voor de eerste keer drinken. Ze had er nog geen idee van hoe erg dat zou worden. Maar Martin viel terug in zijn oude patroon. Tot die ene nacht, toen er iets verschrikkelijks gebeurde.


”Meteen de eerste avond dat wij elkaar hebben leren kennen, heeft Martin mij verteld dat hij alcoholist was. Ook al had hij al twee jaar niets meer gedronken. Alcoholist bén je, of je bent het niet, was zijn motto. En als je het bent, ben je het voor het leven. Die avond drong het amper tot mij door. Wat wist ik van problemen met drank? Vrijwel niets. Het vage beeld dat ik van alcoholisten had, had voor mij niks te maken met de knappe, intelligente, integere man die ik zojuist had ontmoet en waarvan ik nu al het gevoel had dat hij bij mij hoorde. Het ging hard tussen ons. Het voelde goed, veilig. Ik kon geweldig met hem praten, de openheid die er tussen ons was had ik nog nooit meegemaakt. Hij was het voor mij en alles wat hij meebracht, accepteerde ik zonder nadenken.


Wanneer hij me zo nu en dan vertelde over zijn vroegere drankprobleem, leek het iets uit een ver verleden. Sinds zijn pubertijd had Martin veel gedronken. Toen hij zestien was, zat hij hele nachten met vrienden kratjes bier weg te drinken. Het hoorde erbij in zijn dorp en het liep nog niet uit de hand. Dat gebeurde wél tijdens zijn studententijd. Maar toen dronk hij nog niet wanneer hij alleen was; dat kwam pas in zijn scriptiejaar. Dat alcohol echt een probleem voor hem werd, besefte hij toen hij zijn eerste baan verloor omdat hij te vaak zomaar wegbleef. Uiteindelijk, na jaren van strijd, had hij zich laten opnemen in een verslavingskliniek. Vier maanden later was hij een ander mens. Het mens dat ik ontmoette en op wie ik zo verliefd werd.

Hoewel Martin altijd onomwonden vertelde hoe erg het was geweest – dat er bijvoorbeeld periodes waren geweest dat hij al voor het ontbijt zijn eerste biertjes dronk – nam ik het niet zo serieus. Het was nu voorbij, toch? Bovendien kon ik mij helemaal niet voorstellen hoe erg het écht was geweest. Ik had toch vooral een romantisch beeld van Martin als mateloze gangmaker op feestjes, en niet van een man die, ongeschoren en ongewassen, wekenlang amper zijn huis uitkwam en die na dit soort periodes wel honderd legen flessen naar de glasbak te brengen had. Had ik maar beter beseft hoe het zat. Misschien was alles dan anders verlopen.


Toen we een jaar bij elkaar waren, had ik zin om het uitbundig te vieren. Toen in de supermarkt lekkere dingen haalde, zette ik ook spontaan een fles champagne in mijn karretje. Ik stond er gewoon niet bij stil dat Martin dat niet kon drinken. Zelfs thuis nog niet. Ik zette de champagne koel en wachtte Martin op in een kamer vol kaarsjes. Martin besefte het vanzelfsprekend wél. Ik zag hem twijfelen, tot hij zei: ‘Ach, eentje kan best, samen met jou. Alleen nú.’ Samen dronken we de hele fles leeg en hadden een geweldige avond. De seks was adembenemend, bijna magisch. De weken erna was Martin opgetogen. Hij taalde helemaal niet naar méér drank, zei hij. Hij was er dus voorgoed vanaf, dit was het bewijs. Daarom kon hij best nog een keer drinken, toen we anderhalve maand later op een huwelijksfeest waren.


Zo begon het. Heel voorzichtig. Er leek niets aan de hand. Martin was blij dat hij eindelijk een ‘sociale drinker’ kon zijn. In zijn ontwenningskliniek hadden ze gezegd dat hij alcohol voorgoed moest afzweren, maar hij kon het dus best, normaal met drank omgaan. En inderdaad, bijna een jaar ging het goed. Hij dronk af en toe, gewoon voor de gezelligheid. Wanneer hij dronk, hadden we vreselijk veel lol. Tot die keer bij dat nieuwjaarsfeestje. Ik was niet zo fit die avond, wilde om half drie naar huis. Martin voelde daar niets voor. Hij vermaakte zich uitstekend en dronk het ene biertje na het andere – ‘het was nieuwjaar, dus het mocht best’. Toen we eindelijk naar huis gingen was het vijf uur. Ik was teleurgesteld dat hij zo weinig rekening met mij had gehouden, zo kende ik hem niet. Hij werd boos, noemde me een zeikwijf en toen ik thuis in bed kroop, trok hij nog een fles wijn open, die hij van het feest had meegenomen. Toen ik daar wat van zei, schreeuwde hij me weg. De volgende dag zag ik dat hij de fles niet helemaal had leeggedronken. Maar een uur na zijn opstaan was het bodempje wijn plotseling verdwenen. Pas later begreep ik het. Een oude alcoholistentruc: het laatste beetje bewaren voor de volgende dag, om de kater te bedwingen.


Een half jaar later leek de tijd dat Martin nooit dronk eindeloos ver weg. Hij had zichzelf dan wel opgelegd dat hij door de week niet mocht drinken, maar als hij vrijdag uit zijn werk kwam, zat hij binnen vijf minuten aan het bier. Steeds vaker kregen we er ruzie over. Ik zag het dwangmatige van zijn drankgebruik, het ging niet normaal, niet ontspannen. Dat beangstigde me. Bovendien werd hij er niet leuker op als hij dronken raakte. In het beste geval werd hij alleen wat flauw, maakte hij domme, dubbelzinnige grappen waar hij zich nuchter dood voor zou schamen. Maar andere keren ging hij ruzie zoeken. Als ik er wat van zei, pakte hij vaak zijn jas en liep de deur uit. Dan kwam hij pas diep in de nacht terug, tweemaal zelfs pas ver in de ochtend. Gek van ongerustheid was ik dan. Door de week was hij nog altijd dezelfde lieve, bijzondere man die ik altijd gekend had. Dan had hij ook spijt van zijn gedrag en beloofde dat hij zich voortaan beter zou gedragen. Hij zou minder drinken; of weet je, hij zou eens een weekend overslaan! Maar dat gebeurde nooit.


Langzaam begon hij in te zien dat het weer echt verkeerd met hem ging. Hij vond het heel erg dat hij mij verdriet deed. Hij had het er vaak over dat hij weer helemaal zou stoppen. Want wat had hij zich goed gevoeld, die jaren dat hij geen druppel gedronken had. Dat wilde hij terug. En dat kon ook, dat had hij immers bewezen! Het zou zo makkelijk zijn, als hij maar eenmaal die knop weer zou omzetten. Ik wist dat hij het heel graag wilde, toch veranderde er niets. Van zijn collega’s heb ik later gehoord dat ook zij merkten dat er iets met hem aan de hand was. Blijkbaar dronk hij ook op zijn werk, iets waarvan ik geen idee had. Maar hij liet zijn werk verslonzen en kwam afspraken niet na. Eenmaal viel hij in slaap op het toilet, en was anderhalf uur ‘zoek’. Misschien dronk hij ook thuis wel stiekem, dat weet ik niet. Ik vermoed van wel. Maar ik kan het hem niet meer vragen. Want Martin kwam ten val door zijn eigen verslaving, heel plotseling.


Na een zoveelste gesprek over drank, en over onze relatie die steeds meer scheuren begon te vertonen, besloten we samen een week naar een van de Waddeneilanden te gaan. Martin zou daar niets drinken, geen druppel. Ik zou solidair zijn – maar ik dronk sowieso niet veel – en dat blijven; deze week zou een nieuwe start zijn van ons leven, zónder alcohol. We zaten in een leuk huisje, het was heerlijk weer voor de tijd van het jaar. Ik had het goed naar mijn zin, maar Martin had het moeilijk. Hij verlangde continu naar drank. De derde middag zaten we in een strandpaviljoen aan de warme chocolademelk met slagroom. Hij vertelde me dat hij overwoog om terug te gaan naar de verslavingskliniek. Hij was bang dat hij het alleen niet zou redden. ‘Ik ben zó dom geweest,’ zei hij, ‘met die eerste keer champagne drinken. Het is toch waar: eens een alcoholist, altijd een alcoholist. Sociaal drinken lukt mij niet, ik mag het nooit meer proberen.’ Die avond gingen we vroeg naar bed, dicht tegen elkaar aan. Ik herinner me zijn warme lichaam nog. Ik lag vanachter tegen hem aan, mijn arm om zijn buik geslagen. Ik was blij met het gesprek van die dag, dat Martin zo serieus was. De maanden ervoor had ik soms getwijfeld of ik wel verder met hem wilde. Nu had ik er weer een goed gevoel over.


Om drie uur ’s nachts werd ik wakker om te plassen. Toen ik terug in bed kroop, merkte ik dat Martin niet naast me lag. Ik vermoedde dat hij in de woonkamer aan het lezen zou zijn, maar nee. Overal zocht ik hem, maar hij was weg. Een van de fietsen uit het schuurtje ook. Ik begreep meteen dat hij naar het dorp was, om te drinken; wat anders? De teleurstelling zette zich vast in mijn buik. Even nog overwoog ik om hem te gaan zoeken, maar het dorp was zes kilometer verderop, en ik was erg moe. Ik heb een slaappil genomen en ben terug in bed gekropen.


De volgende dag werd ik wakker naast een lege plek. De intense teleurstelling veranderde in hevige ongerustheid. Waar zat hij, waarom was hij nog niet thuis? Vlug heb ik me aangekleed en ben ik op de fiets gesprongen. En in het eerste café dat ik binnenstapte hoorde ik het. Die nacht was er een man aangereden door een motor. Op de weg van het dorp naar ons huisje. De man had in een snackbar bier zitten drinken, in rap tempo. Toen was hij weer vertrokken, op zijn fiets, de donkere nacht in. Zwalkend, zonder licht. Amper vijf minuten buiten het dorp was het gebeurd. De motorrijder had hem niet kunnen ontwijken. Wie hij was wisten ze niet, want hij had geen identiteitspapieren bij zich gehad, maar hij was zo zwaar gewond dat hij naar een ziekenhuis op het vaste land was overgebracht.


Mensen vragen vaak: wat ging er door je heen toen je dit hoorde? Ik weet het niet. Het leek wel alsof ik helemaal niets voelde. De klap en de shock waren zo groot, dat ik heel rustig bleef. Het leek wel alsof ik buiten mezelf raakte, en als toeschouwer alles afstandelijk bekeek. Ik zag mezelf naar het politiebureau gaan. En uren later zag ik mezelf aan een ziekenhuisbed zitten. Martin was buiten bewustzijn. Zijn lichaam was zwaar gehavend, maar zijn gezicht niet. Hij zag er zo lief uit. Zo onschuldig, zo niet-weerbaar, in dat grote bed, met al die slangen aan zijn lichaam. Twee dagen later is hij gestorven. En was ik weer alleen.


De maanden erna zat ik in een roes. Eerst door de klap. Ik kon het gewoon niet geloven. Dan zat ik thuis op de bank en had heel sterk het gevoel dat Martin onmogelijk weg kon zijn. Soms had ik de neiging om onderaan de trap te roepen, omdat ik dacht dat hij gewoon boven achter de computer zat. Toen steeds meer tot me doordrong dat het echt waar was, dat hij echt dood was en dat hij nooit meer terug zou komen, ontdekte ik een andere roes. Die van de drank. Ik ben altijd een gematigde drinker geweest. Kon goed maat houden, ook omdat ik niet graag de controle over mezelf verlies. Maar nu was de controle over mijn leven toch volledig weg. Wat maakte het nog uit. Drank zwakte de heftige gevoelens af. En bracht met dichter bij Martin. Ik koesterde het gevoel dat alcohol me gaf. Wanneer ik wankelend mijn bed opzocht, voelde ik me hevig verbonden met Martin. Hoe vaak zou hij in deze staat zijn gaan slapen?


Vrienden en familie begrepen het goed. Ze zagen me wegkwijnen en drank wordt op zo’n moment vaak als troostmiddel gebruikt. Als ik weer eens in huilen uitbarstte, zeiden ze: ‘Zal ik een lekker wijntje voor je inschenken?’ Of: ‘Hier, van een glas cognac word je rustiger.’ Het liep uit de hand, heel langzaam, ongemerkt. Eigenlijk kreeg ik het pas in de gaten toen ik mij aanmeldde voor rouwverwerking bij een GGZ-instelling. Martin was op dat moment acht maanden dood en de pijn was nog altijd even hevig. Ik had veel steun aan mijn omgeving, maar ik merkte dat ze begonnen te vinden dat ik de draad van mijn leven weer moest oppikken. Ik kreeg een intakegesprek en toen ik naar waarheid vertelde dat ik wel erg veel was gaan drinken, raadden zij me aan om daar eerst aan te werken. Misschien kon ik me aansluiten bij de AA? Drastisch minderen, of beter nog, helemaal stoppen met drinken, was zelfs een voorwaarde om met de therapie te beginnen. Anders zou ik teveel gevoelens wegdrinken en kon de therapie niets oplossen. Woedend kwam ik thuis, had het gevoel dat ze me ten onrechte als alcoholist bestempelden. Waar haalden ze de gore moed vandaan? Ik dronk alleen zoveel omdat ik intens veel verdriet had! Inmiddels zie ik wel in dat ze gelijk hadden. En het is waar, je kunt niet aan je problemen werken als je telkens ‘wegvlucht’ met je geest.


Martin is nu anderhalf jaar dood en nog steeds drink ik veel. Te veel. Ongeveer een fles wijn per avond, soms meer; steeds vaker anderhalve fles, om eerlijk te zijn. Ik kan gewoon functioneren, ik heb mijn werk weer opgepikt, maar die wijn heb ik echt nodig om me een beetje goed en stabiel te voelen. En om te kunnen slapen. Ik weet dat het te veel is. Maar stoppen gaat niet. Ik probeer het wel, maar dan voel ik me zo ongelukkig dat ik dan toch weer naar de avondwinkel fiets.


Ik praat nog vaak met Martin. In mijn hoofd. ‘Schatje toch,’ zegt hij dan. ‘Waar ben je nu mee bezig?’ Ik weet dat hij me zou adviseren om er iets aan te doen. Ik overweeg om me te laten opnemen in een kliniek. Een trouwe vriendin, die me gelukkig altijd precies durft te zeggen wat ze denkt, vermoedt dat ik het expres zover heb laten komen. ‘Jij wilt meemaken wat hij heeft meegemaakt,’ zegt ze. En: ‘En jij hebt het gevoel dat je moet boeten, omdat je hem weer aan de drank heb gebracht.’ Daar heeft ze wel gelijk in. Ik heb het mezelf inderdaad vaak verweten. Als ik die fles champagne niet had gehaald… Ach, dan was hij misschien een andere keer wel weer gaan drinken. Alleen híj is verantwoordelijk voor zijn eigen daden, zover ben ik inmiddels wel. En ik ben verantwoordelijk voor míjn leven. En die anderhalve fles wijn per dag is echt teveel. Het is waarschijnlijk een wanhopige poging om Martin bij me te houden. Als ik die wijn kan loslaten, kan ik misschien ook Martin loslaten. Ook al wil ik het niet. Maar het moet. Een beetje. Net genoeg, om weer verder te gaan met mijn leven.”


Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide