• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers » Viva » interview met ...


Anna Bouman, schrijfster van ‘De Zondagsvrouw’


Acht jaar geleden kreeg Anna Bouman te horen dat ze een hersentumor had. In haar boek De zondagvrouw beschrijft ze de impact die deze diagnose op haar leven had.

‘U heeft een hersentumor.’

Een absolute stilte omsluit me. Ik verroer me niet. Ik voel verbazing. Geen verwarring. Ik staar naar buiten. Ik kijk naar een rondrijdende auto op het parkeerterrein. De aarde draait gewoon door. En ondertussen staat mijn tijd stil.

Uit: De Zondagsvrouw

Anna (37):

‘Het begon drie weken eerder, toen ik tijdens het schilderen van mijn huis flauwviel, duizelig en misselijk bleef en last had van tintelingen. Marcel, een van mijn beste vrienden, stond erop me naar het ziekenhuis te rijden. Negenentwintig jaar was ik. Ik woonde als single in Amsterdam, werkte met veel plezier als communicatieadviseur en had een prettig, doodgewoon leven. En toen was ik opeens ernstig ziek. Er zat iets in mijn hoofd dat daar niet hoorde. Dat zomaar was gaan groeien, ongecontroleerd, oncontroleerbaar. Ik had nog geen flauw vermoeden hoe mijn leven zou gaan veranderen. Hoe vanzelfsprekendheden in een gestaag tempo zouden wegvallen en hoe denken aan doodgaan een onderdeel zou worden van mijn bestaan. En hoe ik zou veranderen: aan de ene kant vol van verdriet en woede en aan de andere kant met een nog helderder besef van geluk.’

Mijn moeder was erbij toen ik te horen kreeg dat ik een hersentumor had. Ik moest direct in het ziekenhuis blijven. Na het nieuws zat ik gevangen in een doffe verbazing. Mijn familie en vrienden waren openlijker van slag dan ik. De weken erna overheerste bij mij zelf vooral de nuchterheid. Zonder dat ik het besefte onderdrukte ik mijn emoties zoveel mogelijk en concentreerde me op de vraag: hoe gaan we dit aanpakken? Wat is de volgende stap? De tumor bleek vijf bij vijfenhalf bij zes centimeter. Een soort mozzarellabal. Hoe ernstig het was – hoe kwaadaardig – konden ze op dat moment nog niet zeggen. Duidelijk was wel dat ik geopereerd moest worden.’

Er zijn antwoorden waardoor je, zonder nog maar iets gehoord te hebben, een duizendste van een seconde van tevoren verstijft. Vanuit mijn ooghoek zie ik mijn vader, die tot nu toe rustig heeft zitten luisteren, gaan verzitten. Kalm formuleert hij zijn gedachte. ‘Kan de tumor terugkomen als Anna is geopereerd?’ De blikken van Daamen en Klaver kruisen elkaar razendsnel. Niet omdat ze het antwoord niet weten, maar om uit te maken wie dit keer zal antwoorden op de vraag, die ze al zo vaak gehoord moeten hebben. Klaver geeft bij wijze van voorrang een knikje in de richting van Daamen, die zich naar ons toe buigt. Ik zet me schrap. ‘Ik zal er niet omheen draaien. Het is niet te vraag óf de tumor na de operatie terugkomt, maar wánneer. Hij gaat altijd weer groeien.’

Uit: De Zondagsvrouw

‘Ik wist dat ik ziek was, dat ik eraan dood zou kunnen gaan, dat de tumor hoe dan ook nooit meer zou verdwijnen. Toch bleef ik me nog lang goed en sterk voelen. De operatie werd pas een paar maanden later gepland; zo ernstig kon het dus niet zijn, dacht ik onbewust. Wel had ik last van epilepsie. Door de druk van de tumor in de hersenen, stonden andere delen onder spanning. Gelukkig bleven grote aanvallen me bespaard – toen nog wel. De avond voor de operatie werd het allemaal wel héél echt. Doodeng: je hebt geen idee hoe het zal gaan, wat er gaat gebeuren; hoe en óf je nog wel wakker wordt.

Bij deze eerste operatie konden ze slechts dertig procent van de tumor weghalen, omdat er nog teveel gezonde cellen zaten. Maar voorlopig kon ik weer verder. Voor hoe lang, dat kon niemand me vertellen. Er was moeilijk een gemiddelde te geven en bovendien: wat zegt een gemiddelde eigenlijk? Misschien zou de tumor wel tien jaar rustig blijven, maar hij kon net zo goed ieder moment explosief gaan groeien. Gelukkig gebeurde dat niet. Waar ik wel last van bleef houden, was de epilepsie. Die werd zelfs steeds erger. En ik kreeg last van gevoelsverlies aan mijn linkerkant. Daarom werd er een tweede operatie gepland. Vreselijk: mijn hoofd leek niet meer van mij. Het moest te pas en te onpas open, of ik nu wilde of niet. Maar alles ging goed en deze keer konden ze negentig procent van de tumor weghalen.’

Ook komen de tranen steeds vaker. Het begint als een moessonregen. Eerste een paar grote druppels, die bij de volgende ontmoeting een echte plensbui vormen en de daaropvolgende keer uitmonden in een krachtige wolkbreuk. Zoals in de tropen een dergelijke bui eerder verfrissend dan hinderlijk is, zo verlost het me meer en meer van een drukkend gevoel. Ik blijk veel minder een solist dan ik dacht. Dat is verwarrend en bevrijdend tegelijk.

Uit: De Zondagsvrouw

‘De eerste jaren van mijn ziekte was ik, zonder dat ik het doorhad, erg eenzaam. Niet omdat ik geen liefdevolle mensen om me heen had. Die had ik wél. Veel zelfs. Maar ik liet ze niet echt toe. Ik ben opgegroeid met het idee dat je sterk moet zijn, dat je moet doorzetten en niet bij de pakken mag neerzitten. Daardoor had ik moeite om mijn verdriet, mijn gevoel toe te laten. De eerste jaren heb ik dan ook haast niet gehuild. Ik gedroeg me stoer en maakte harde grappen. Hulp of troost kon ik slecht aannemen; liever was ik degene die troostte, om wat míj overkwam. Soms prikte iemand erdoorheen, Marcel bijvoorbeeld, maar dat was slechts sporadisch. Tot het niet meer ging. Op een dag ben ik ingestort, ik trilde over mijn hele lijf. Ik heb verschrikkelijk gehuild, uren achter elkaar. Ik voelde me niet uitgerust om dit nog langer te kunnen dragen. Het was tijd voor verandering. Een innerlijke verandering, want aan de tumor kon ik tenslotte niets doen. Het is een langdurig proces geweest, maar ik sta nu veel eerlijker tegenover mijn eigen gevoelens en mijn band met mijn omgeving is verdiept, intenser geworden.

Voordat ik de tumor kreeg, was ik een beetje een zondagskind. Veel kwam me aanwaaien. Wel ben ik mijn leven lang heel onzeker geweest. Ik wist niet goed wat ik wilde, wat ik kon, wat mijn plannen waren voor de toekomst. Ik dacht daar ook niet veel over na. Ik had met mijn werk juist mijn plek gevonden en ik dacht: ik zie wel wat er verder op mijn pad komt. Mijn ziekte heeft voor veel duidelijkheid gezorgd. Ik moest bewust keuzes maken, alleen al omdat ik veel minder tijd had. Niet alleen qua toekomst, ook per dag. De uren dat ik fit en energiek ben, zijn beperkt. Dus wat doe ik daarmee? Wat voor dingen vind ik écht belangrijk? Ik leef nu veel meer vanuit mijn instinct.’

Als de laboranten de ruimte verlaten, trekt een ijzige kou door mijn lijf. Een afschuwelijke eenzaamheid grijpt me naar mijn strot. Dit is het deel van mijn ziekte dat ik met niemand kan delen. Ik moet het alleen doen. Een lage piep: de eerste bundel. Het geluid lijkt op het signaal dat wordt gegeven voordat een brug opengaat. Ik houd mijn adem in. Stilliggen, herhaal ik zolang het duurt. Iets ongrijpbaars wordt in mijn gekooide kop gepompt. Ik word er hondsongelukkig van.

Uit: De Zondagsvrouw

‘Drie jaar geleden nam de epilepsie weer zo toe dat werd besloten tot bestraling. Gek genoeg vond ik dat het allerzwaarste van alles wat ik heb meegemaakt. Zevenentwintig keer is mijn hoofd volgepompt terwijl ik met een masker onbeweeglijk vastlag. Doodeenzaam was ik, en bang. Bestralen is heel onwerkelijk, de gevolgen kunnen lang op zich laten wachten. Wat dat betreft is een operatie veel duidelijker: direct als je bent bijgekomen weet je of de operatie geslaagd is, en of er functieverlies is. Maar na een bestraling kun je ook veel later pas ziek worden. Dat gebeurde ook. Ik had veel last van concentratieproblemen en van moeheid. En het maandenlang moeten wachten of het wel effect had gehad was slopend, tot op het bot.’

De radiotherapeute ontvangt ons opgewekt. Maar dat zegt niets, denk ik. ‘Je weet dat we je niet kunnen genezen,’ steekt ze van wal, ‘er blijven altijd cellen achter, die de MRI-scan niet kan registreren.’ Mijn hart staat stil. Welke kant gaat dit op? Ik staar naar de grond. ‘Maar op dit moment zien we in ieder geval niets meer op de foto’s. Onstuimig timmer ik met mijn vuisten op Sams schouders, val hem om de hals en kan niet kiezen tussen lachen of huilen. Ruim vijftienhonderd dagen nadat mijn wereld voor altijd veranderde, draait hij weer even de andere kant op. Ik weet dat de tumor terugkomt, maar het onbeschrijfelijke rotding is eindelijk eens niet meer zichtbaar. Met open mond bekijk ik de foto’s waarop geen enkele witte vlek meer te bekennen is.

Uit: De Zondagsvrouw

Het ergste van mijn hersentumor vind ik simpelweg dat ik eraan dood kan gaan. In mijn familie wordt iedereen tachtig, maar daar kan ik niet echt meer op rekenen. Dat doet pijn. Bang voor de dood ben ik niet. Wel bang voor het afscheid. Het idee dat iedereen van wie ik houd verder zal leven, dingen zal meemaken, en dat ik daar niet bij ben: afschuwelijk. Verder is mijn dagelijks leven totaal veranderd. Ik heb mijn werk moeten aanpassen, ’s middags moet ik altijd rusten. En al is de tumor nu al twee jaar onzichtbaar, toch zit ik doorlopend bij artsen. Dan moeten de medicijnen weer worden bijgesteld, dan weer voel ik me niet goed. Ook bezoek ik twee keer per week een fysiotherapeut, voor de gevoelsuitval en evenwichtsstoornissen. Het houdt nooit echt op. Het klinkt misschien triviaal, maar wat ik ook erg vind is dat ik door de epilepsie niet meer mag autorijden. Daar was ik juist dol op, het gaf me een sterk gevoel van vrijheid. Die vrijheid heeft de tumor mij afgenomen.

Toch doe ik nog steeds veel dingen, ondanks mijn ziekte. Ik leef, ik geniet, ik lach. Lang niet alles is narigheid, en ik ben er ook niet dag en nacht mee bezig. In de afgelopen jaren heb ik veel leuke dingen gedaan, zoals het maken van verre reizen, naar Kenia, naar Maleisië. Ik heb veel bijzondere momenten meegemaakt met vrienden, in het bijzonder Marcel, die werkelijk áltijd voor me klaarstaat. En ik ben verliefd geworden, meerdere keren zelfs. Ook dát gaat gewoon door. Natuurlijk is een relatie met mij niet makkelijk. Mijn ziekte heeft een zware impact op de liefde. Verliefd zijn is niet meer vrijblijvend, niet alleen maar léuk. Ik heb geleerd om er al in een vroeg stadium over te praten en om niets te verbergen. En ik zeg altijd: “Als het te zwaar wordt, ga. Blijf nooit uit medelijden.” Toch zijn mijn relaties nooit om mijn tumor misgelopen, maar omdat we gewoon niet bij elkaar pasten.

Onlangs was ik een paar dagen zeer slecht. Bij het avondeten constateerde Gaius opeens triest: ‘Je bent echt heel ziek, hè?’ Zwijgend zaten we elkaar aan te kijken. Onbewegelijk hing de gedachte in de kamer. Toen trok Gaius de meest fantastische pruillip. Ik deed hetzelfde. Half spottend, half treurig, ging zo het moment onbesproken voorbij.

Uit: De Zondagsvrouw

Sinds een jaar ga ik om met de leukste man van de wereld. Hij heeft dezelfde nuchterheid als ik. Hij gaat goed met mijn ziekte om. Wat niet wegneemt dat het af en toe heel zwaar is. Dan huilen we er samen hard om. En maken daarna weer ruimte voor leuke dingen. Ook dat heb ik geleerd. Soms moet je heel bewust denken: en nu ga ik níet meer tobben, maar me op iets plezierigs richten. Dat tobben, dat kan later wel weer. En dat komt ook wel weer. Maar nu, nu even niet.

De Zondagvrouw – Anna Bouman. Uitgeverij Arena, oktober 2006. ISBN 90 6974 811 8, € 15,95.

Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide