Opdrachtgevers » Viva » artikel ...
Jeanine vindt het moederschap flink tegenvallen
Je kunt heftig naar een kind verlangen. Maar als het lukt om moeder te worden, dan verandert je leven totaal. En dat kan veel zwaarder zijn dan je van te voren had vermoed. Jeanine (38) verwachtte een roze wolk, maar toen haar zoon er eenmaal was dacht ze regelmatig: ze mogen hem zo komen ophalen…
‘Ik hink al vier jaar op twee benen. Aan de ene kant ben ik blij om moeder te zijn. Mijn zoon is het mooiste, liefste en humoristische ventje dat er bestaat. Ik hou heel veel van hem. Maar moeder zijn vind ik ook verschrikkelijk. Want het leven en de activiteiten die het met zich meebrengt, daar vind ik ronduit niets aan. Het hebben van een kind vind ik zwaar en tijdrovend en je krijgt er heus veel voor terug, maar je moet er vooral veel voor opgeven. Ik heb jarenlang gestreden voor het behoud van mijn eigen leven en mijn eigen identiteit. Maar ik heb onherroepelijk verloren, niets aan te doen. En al zou ik mijn zoon niet meer kunnen missen, toch gaat er geen dag voorbij dat ik niet wanhopig terugverlang naar mijn oude leven. Naar toen ik nog gewoon lekker vrij was.
Ik was dertig toen ik plotseling een heftige kinderwens kreeg. Daarvoor was ik er nooit zo mee bezig. Mijn ex wel. Toen het met hem uitging, besefte ik dat ik wél naar kinderen verlangde, maar kennelijk niet met hem. Als single begon mijn biologische klok te tikken. Oorverdovend. Dat veranderde mijn zoektocht naar een nieuwe man: ik zocht niet meer alleen een partner, maar ook een vader. Johan paste perfect bij mij. Hij bood me rust, vastigheid en stabiliteit. En ook hij wilde kinderen. We bouwden een mooie relatie op en na een tijdje stopte ik met de pil. En al binnen drie maanden was ik zwanger!
Ik herinner me het overweldigende geluksgevoel bij het zien van de eerste echo. De eerste kennismaking met míjn zoon! Mijn oma, door wie ik ben opgevoed, was erbij. Ze is overleden voordat Ernst geboren is, maar ze heeft hem dus tóch nog gezien. De zwangerschap verliep goed, al was ik erg moe en voelde het gek dat mijn lichaam veranderde in een ‘broedkamer’. Maar tegelijkertijd vond ik het een waanzinnig mooie ervaring. De bevalling ging prima. Op 28 augustus 2002 werden Johan en ik de ouders van Ernst, een kerngezonde baby. De eerste keer dat ik hem in mijn armen had trok er een heel warm gevoel door me heen. Ik voelde overweldigend sterk dat ik hem tegen al het kwade in de wereld wilde beschermen. De eerste vijf dagen, ik lag nog in het ziekenhuis, kon ik mijn geluk niet op. Hij was er, en wat was hij mooi en lief!
Eenmaal thuis viel ik binnen een week van mijn roze wolk. Ernst bleek een temperamentvol mannetje dat continu huilde vanwege krampjes. Hij was nog erg klein en kon nog niet goed drinken, dus voeden bleek een tijdrovende zaak. De borstvoeding was een ramp, slapen was er haast niet meer bij. Ondertussen kregen we maar kraamvisite over de vloer. ‘Oh, wat is ie leuk, ben je niet blij?’ juichten zij, maar ik wilde alleen maar dat ze weg zouden gaan, en snel ook. En voor mijn part namen ze Ernst een nachtje mee, dan kon ik tenminste eens doorslapen. De moeheid zat tot in mijn botten. En Ernst bleef maar krijsen. Ook hij sliep slecht, dag en nacht, ik kreeg er maar geen ritme in bij hem. Dus ook ík kreeg geen ritme. Wanneer ik knikkebollend naar het gehuil zat te luisteren, dacht ik: is dit het nou?
Je moet toch iets met zo’n baby, dus om niet tegen de muren op te vliegen ging ik de straat maar op, rondjes lopen. Ik werd een ‘hangmoeder’. Iedere dag zat ik ergens taart te eten, steeds op een andere plek om te voorkomen dat ze zouden denken: daar heb je háár weer. Ik deinde in no time uit. Ik raakte verslaafd aan koffie, om wakker te blijven, terwijl ik dat vroeger niet eens lustte. Verder zat ik op bankjes met bejaarden te praten. Wat een verschil met mijn bruisende leven dat ik eerder had! Het voelde alsof ik mijn tijd aan het verdoen was. Het is heel erg om te zeggen, maar als ze Ernst in die eerste maanden waren komen halen, had ik hem zo meegegeven. Iedereen die in de wieg of wandelwagen keek, riep: ‘Wat is hij schattig zeg!’, maar ik, de moeder, ik zag het niet. Ik zag alleen een blok aan mijn been. Iemand die mijn leven en mijn nachtrust dwarsboomde. En de wisselwerking met een baby is minimaal. Je pompt maar energie in hem, maar je krijgt niets terug. Ja, poepluiers! Ik snap best dat mensen zo blij zijn met het eerst lachje of woordje. Want eindelijk krijg je dan een beloning voor al je inspanningen! De dagen dat ik op Ernst paste, voelden leeg, nutteloos en eenzaam. Het enige prettige moment was ’s ochtends: dan kleedde ik hem leuk aan en genoot ervan dat hij er zo mooi uitzag. Maar daarna begon hij weer te huilen en zakte de moed mij opnieuw in de schoenen. Als Johan thuiskwam zat ik verslagen op de bank te wachten om afgelost te worden. Waar waren we aan begonnen? Ik had niet het gevoel dat we nu een gezin hadden, maar eerder een bedrijf met wisseldiensten!
Al na zes weken ben ik aan het werk gegaan in de eenmanskapsalon die ik heb. Ik was zó blij dat ik thuis weg kon. Verrukkelijk, weer contact met de buitenwereld, weer normale gesprekken voeren. Iedereen informeerde natuurlijk naar Ernst, maar ik had geen zin om over hem te praten. Wat viel er te vertellen? Er gebeurde toch geen klap? Ik wilde me juist even geen ‘moeder’ voelen. Liever hoorde ik over de belevenissen van anderen, ik zoog ze in mij op. En al snel bleef ik één nacht in de week ergens anders overnachten, eerst bij een vriendin, later op mijn werk. Dat heb ik wel twee jaar gedaan. Ook omdat het praktisch was, het scheelde een hoop tijd van heen en weer rijden, maar vooral omdat ik er zo verschrikkelijk van genoot. Het liefst wilde ik nog veel langer wegblijven, maar dat kon ik natuurlijk niet maken tegenover mijn man. Dus met tegenzin ging ik daarna weer naar huis om hem af te lossen.
Natuurlijk voelde ik me ellendig over mijn gevoelens. Moeders gaan toch altijd door het vuur voor hun kind? Ze zitten toch het liefst de hele dag verliefd aan het wiegje te kijken? Waarom had ik dat niet? En mijn kind was toch gezond, wat zat ik nu te zeiken? Zelf ben ik opgegroeid met een manisch-depressieve moeder. Ik moest al heel jong voor mezelf zorgen. Ik had me voorgenomen het allemaal beter doen. Er altijd zijn voor mijn zoon en hem opvoeden tot een goed mens. En nu was ik alleen maar ongedurig en ongeduldig! Ik bleef mezelf maar opleggen dat ik het leuk móest vinden, maar het lukte niet. Ik vond het gewoonweg een vreselijke opgave. Als ik voor een relatie zoveel had moet inleveren van mezelf, had ik het zonder enige aarzeling direct uitgemaakt! Maar ja, dat gaat niet bij een kind. Het zwaarste vond ik nog wel de belasting van het altijd, iedere minuut, verantwoordelijk zijn voor het leven van een ander mens. Een kind zit op je huid, soms letterlijk, wanneer je het in een draagdoek draagt, maar áltijd figuurlijk. Je hebt er nooit vrij van. Niet eens wanneer je naar de andere kant van de wereld zou reizen, want die verantwoordelijkheid gaat gewoon met je mee.
Toch was ik óók blij met mijn zoontje. Dat gevoel dat ze hem zo mochten ophalen verdween toen ik hem beter leerde kennen. Toen hij zijn eerste woordjes begon te zeggen, een echt mensje werd. Er groeide een diepe liefde voor hem die niet te beschrijven is. Voor hem zou ik mijn leven willen geven, best een angstig besef. Maar mijn leven áánpassen, tja, dat bleef moeilijk. Ernst bleef veel huilen. In totaal heeft dat tweeënhalf jaar geduurd, en al die tijd hebben Johan en ik nooit normaal kunnen slapen. Reken maar dat dat z’n weerslag heeft op je relatie. Met een kind moet je bovendien de hele dag geduld oefenen vanwege alle aandacht die hij opeist, alle moodswings die het doorlopend heeft, dus voor je partner kun je ’s avonds geen greintje geduld meer opbrengen. Laat staan dat je nog zin hebt in seks! En je hebt ook zo weinig tijd samen. Rustig praten over wat de ander bezighoudt, waar hij van droomt en naar verlangt, is er amper nog bij. Johan en ik misten elkaar, ondanks dat we elkaar alle dagen zagen. Gelukkig zaten we wel volledig op een lijn. Hij stond precies zo tegenover het ouderschap als ik. Daardoor begrepen we elkaar goed, konden elkaar opvangen en moed inpraten.
Dat ik van te voren niet ten volle had beseft had hoe groot de impact van een kind zou zijn, komt doordat andere vrouwen altijd de indruk wekken dat een kind vrij makkelijk integreert in je leven. Ze doen alsof je het er wel even bijdoet, alsof je, als je het goed plant, je eigen leven heus wel kunt behouden. Forget it! Als je een kind krijgt, heb je nog amper tijd voor jezelf en je eigen behoeftes kun je wel op je buik schrijven. Het moet in zíjn tempo, op zíjn schema, altijd. En mensen vergeten dat je niet per se een klik hebt met het karakter van je kind. Bovendien doet iedereen alsof de tijd en energie die een kind je kost nooit erg is; dat uit liefde niets je teveel is. Maar als ik op zondagmiddag weer bij een geitenboerderij sta omdat mijn kind thuis te rusteloos is, baal ik. Ik schik me, maar léuk is anders. En als ik al die oververmoeide koppen van andere ouders om me heen zie, weet ik: we zitten allemáál veel liever met thee en een goed boek op de bank. Maar dat gaat niet, want wanneer je thuisblijft wil je kind vingerverven, en ben je meer tijd kwijt aan alles te voorschijn halen en hem schoonmaken dan dat hij aan het verven is. Of je moet geestdodende boekjes voorlezen. En dan heb ik nog het geluk dat Ernst me toestaat om af te wisselen en ik niet veertig keer hetzelfde verhaal zit voor te lezen!
Laat vooral niemand zich ongerust maken: Ernst komt niets tekort. Hij krijgt liefde, véél liefde, knuffels, alles waar hij behoefte aan heeft. Maar wat zal ik blij zijn als hij straks groter, zelfstandiger is. Ik houd toch vooral van kinderen met wie je echt kunt communiceren. Opvoeden bestaat vooralsnog vooral uit politieagentje spelen. Liever zou ik hem dingen leren, uitleggen. Ik hoop dat ik later discussies met hem kan voeren bij het avondeten. En dat het dan gezellig is. De afgelopen vier jaar hebben wij niet één keer gezellig rustig gegeten. Ernst is een langzame eter en dus er is altijd gejengel met hem. Praten kan pas als Ernst in bed ligt. Maar hij is nog steeds een slechte slaper. Dus als hij naar bed is, zitten Johan en ik met gespitste oren op de bank. Zelfs ’s nachts ben ik erop ingesteld dat ik altijd voor hem klaar moet staan, het lijkt wel een soort dierlijke waakzaamheid. Dodelijk vermoeiend.
Maar toch, spijt dat ik een kind heb? Absoluut niet! De voortplantingsdrang was zo heftig, het móest gewoon. En ondanks alles is hij een verrijking van mijn leven. Dat je geduld op de proef wordt gesteld, dat je leert je in te houden wanneer je haast dreigt te ontploffen, dat is goed voor een mens. Als ik Ernst niet had gekregen, was ik niet zo met mezelf geconfronteerd. Dan had ik mijn egoïstische trekken niet gekend, en niet geweten dat ik dat tóch kan overwinnen. Maar een tweede kind? No way! Ik ben dolblij dat ik langzamerhand weer iets van mijn vrijheid terug krijg, al is het nog maar een splintertje. En dat geef ik nooit meer op!’
© Lydia van der Weide 2007
Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar







