• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers » Viva » artikel ...


Xandra heeft agressieve dwanggedachten


Xandra (32) heeft last van agressieve dwanggedachten, die zich met name op haar zoontje richten. Na jarenlang verzet tegen deze negatieve, angstaanjagende gedachten, heeft ze beter geleerd hoe ze ermee kan omgaan.

‘Op een ochtend, nu twee jaar geleden, zag ik mijn zoontje naar school vertrekken. Plotseling schoot er door mijn hoofd: “Misschien overkomt hem iets, en is dit de laatste keer dat ik hem zie.” Meteen daarna dacht ik: “En dat kan me helemaal níets schelen, het is toch maar een kankerautist.” Daarop ging een geweldige schok door me heen. Wat was dat voor een afschuwelijke, krankzinnige gedachte? Ik meende er niets van! Hij is mijn zoon, ik houd van hem. Héél veel, ook al is onze band door zijn stoornis wat oppervlakkig. Maar waarom bleef diezelfde gedachte zich dan toch continu aan mij opdringen? Ik herinner me deze bewuste ochtend nog heel goed. Er is een duidelijke grens tussen mijn leven ‘ervoor’ en ‘erna’. Sinds die dag heb ik vaker last van ongewenste, nare, wrede gedachten. Veel vaker. Sommige dagen is het zo erg, dat ik me op vrijwel niets anders kan concentreren. De scheldwoorden blijven zich opdringen, de gemeenste dingen denk ik dan. Het verwart me. Het maakt me moedeloos, radeloos. Want ik wil het helemaal niet! Maar het is sterker dan mezelf.

De jaren voor het plotselinge ontstaan van die rare rotgedachten waren zwaar. Op mijn negentiende ben ik per ongeluk zwanger geraakt. Ik was er eigenlijk nog helemaal niet aan toe om moeder te worden; ik volgde een opleiding, ging veel uit, genoot van het leven. Maar ik bleek al vier maanden in verwachting en had nog precies één week om te beslissen of ik het kindje wilde houden of niet. Mijn vriend en ik besloten het te krijgen en we waren heel gelukkig met onze zoon. Toen hij opgroeide, bleek het geen gemakkelijk mannetje. Hij was altijd aan het krabben en bijten en luisterde slecht. Pas op de kleuterschool werden we erop gewezen dat er misschien iets mis was. Na verschillende onderzoeken werd er een autistische stoornis vastgesteld. Heel erg, natuurlijk. Aan mijn vriend had ik helaas weinig steun. Hij was vaak depressief en erg wispelturig. Later bleek dat hij ernstige, onoplosbare psychische problemen had; tegenwoordig leeft hij in een begeleid wonen project. Hij kan niet voor zichzelf zorgen en kon dat indertijd ook zeker niet voor mij en ons kind. Ik heb me vaak eenzaam en alleen gevoeld. Toch probeerde ik zo goed en zo kwaad als het ging de kar te trekken. Ik dacht dat het best goed ging, tot de spanning onverwacht hevig naar buiten kwam. Op een dag stond ik voor het stoplicht te wachten en voelde dat mijn hart heel hard begon te kloppen. Het werd zwart voor mijn ogen en ik begon helemaal te trillen. Met een vaart van 120 km per uur ben ik naar mijn moeder gereden, die in de buurt woonde. Ik wist zeker dat mijn einde was gekomen. “Nee hoor, je gaat niet dood,” zei de arts in het ziekenhuis, na het maken van een hartfilmpje. “Er is niets met jou aan de hand, je hebt gewoon een paniekaanval.” De tijd daarna was ik erg bang dat het me weer zou overkomen. En juist omdat ik daar zo krampachtig mee bezig was, gebeurde het ook telkens. Het was een vicieuze cirkel. Na een paar jaar begon ik daar gelukkig uit te komen. Ik ging weg bij mijn vriend, een heel verstandige beslissing. Ik kwam een andere man tegen – deze was wél leuk, zorgzaam en lief – en trok uiteindelijk bij hem in. Ik had een leuke baan waar ik veel zelfvertrouwen van kreeg. Alles leek eindelijk weer een beetje goed te komen.

En toen was hij er opeens, die dwangmatige gedachte over mijn zoon. Hij was een kankerautist, dat bleef zich maar herhalen in mijn hoofd. Hoe meer ik me verzette, hoe meer het bezit van me nam. Iedere dag opnieuw. Doodeng. Eerst had ik geen controle over mijn lichaam gehad en nu verloor ik kennelijk de greep op mijn geest! Het ging van kwaad tot erger. Ik dacht de afschuwelijkste dingen over hem. Ook hoe ik hem kon verwonden. Ik rilde van afschuw over mijn eigen ingevingen maar ik kon ze niet bedwingen. Daarom nam ik het zekere voor het onzekere en verstopte alle messen, ik kon zelfs geen schaar meer om me heen verdragen. Want wie weet zou ik plotseling de controle verliezen en hem echt iets aandoen. Ik begreep er niets van. Was ik soms gek aan het worden? Wie weet waar dit op zou uitlopen. Misschien zou ik straks mijn hele gezin wel uitmoorden, zoals je soms op tv ziet, en zouden mijn buren stomverbaasd zijn over dit drama.

Niet alleen over mijn zoon dacht ik zulke gruwelijke dingen, al was het bij hem wel het ergste. Maar ook bij een nichtje doken rotwoorden op als ik haar zag. Haar vader was een paar jaar eerder overleden aan een tumor en als ik haar zag, dan schoot er door mijn hoofd: “Jij bent toch maar de dochter van een kankerlijer.” Ik was zo bang dat ze het aan mijn gezicht kon aflezen, of dat die woorden per ongeluk mijn mond uit zouden floepen, dat ik haar liever ontweek. Ik ontweek sowieso veel situaties. Ik ben altijd dol op thrillers en horrorfilms geweest, maar daar kon ik niet meer heen. Wie weet wat voor gruwelijke ideeën ik dan weer zou opdoen. Ook uit eten gaan, op stap, winkelen, niets was meer leuk, omdat mijn slechte gedachten zich op iedereen die ik ontmoette konden projecteren. Ik liep voortdurend met een gevoel rond van schaamte, schuldgevoel en angst. Om mezelf te straffen, schold ik mezelf uit in mijn hoofd. Zo probeerde ik de slechte gedachten te neutraliseren. In mijn hoofd gebeurde er zoveel, dat ik er vaak helemaal afgesloten was. Ik hoorde het amper wanneer mensen tegen mij spraken en mijn functioneren op het werk liep hard achteruit. Er zijn periodes geweest dat ik het niet meer zag zitten. Dan werd ik zo gek van mijn eigen gedachten dat ik dacht: ik spring voor de trein. Dan ben ik ervan af. En iedereen is toch beter af zonder mij, want ik ben in- en inslecht.

Met mijn nieuwe vriend, met wie ik inmiddels getrouwd was, praatte ik wel over mijn obsessieve gedachten, al vertelde ik hem niet alle details. Daarvoor schaamde ik me teveel. Maar hij wist het wel, en borg soms ook de messen voor mij op, als hij wist dat het niet goed ging. Anderen durfde ik helemaal niets te vertellen. Uiteindelijk heb ik een therapeut gezocht en voorzichtig uitgesproken wat er met mij aan de hand was. Het was een grote opluchting toen ik hoorde dat ik niet een gevaarlijke psychopaat aan het worden was, maar dat ik aan een dwangstoornis leed. Een psychische ziekte, waar ik zelf niets aan kan doen. Er mist een bepaalde stof in mijn hersenen, waardoor gedachten die bij andere mensen gewoon weer verdwijnen, bij mij langer blijven hangen. Vaak zijn dwanggedachten agressief, hoorde ik, zoals bij mij, of ze zijn godslasterlijk, of seksueel gericht. Zo las ik op internet over een man die seksuele dingen denkt over zijn hond, terwijl hij dat verschrikkelijk vindt. Je zou kunnen denken dat er toch een reële wens achter die gedachte moet zitten, maar dat is helemaal niet zo. Het komt eerder door hevige angst en afschuw.

Dat ‘kanker’ steeds opduikt in mijn gedachten, heeft ook angst als oorzaak. De afgelopen tien jaar zijn er in mijn familie veel mensen overleden, allemaal aan kanker. Dat heeft voor heel veel verdriet gezorgd. Dus juist het ergste wat ik vrees, duikt op. Daarom ook heb ik het meest dwanggedachten over mijn zoontje. Júist omdat ik hem zo graag wil beschermen. Van mijn therapeut kreeg ik antidepressiva voorgeschreven, maar daar ben ik niet gelukkig mee. Het hielp wel redelijk, maar ik vond de bijverschijnselen zo vervelend dat ik toch telkens weer stopte. Je krijgt er zo’n droge mond van en je seksuele lust verdwijnt helemaal. En je wordt er helemaal duf van, zo’n afgestompte robot. Ik sliep er eindeloos door. Nee, dan liever vechten tegen de dwanggedachten. En nu, twee jaar nadat het begon, heb ik enigszins geleerd hoe ermee moet omgaan. Als de nare gedachten of de scheldpartijen opkomen, probeer ik me er niet druk om te maken. Laat maar komen, ze gaan ook wel weer weg. Lang ben ik bang geweest dat er een dag zou komen dat ik echt nergens anders meer aan zou kunnen denken en ik in een inrichting zou eindigen, in een dwangbuis. Die angst is nu verdwenen. Ik weet dat er na heel erge periodes, altijd weer tijden zullen komen dat het meer op de achtergrond staat.

Toch blijft de dwang op me drukken. Nog altijd voel ik me in sommige situaties niet op mijn gemak omdat ik bang ben dat ik iets ongepast zal roepen. En heb ik moeite om alleen thuis te zijn met mijn zoontje. Deskundigen zeggen dan wel dat het onmogelijk is dat ik iets zal doen wat ik eigenlijk niet wil, maar toch blijf ik er bang voor. Gelukkig merkt hij er zelf niets van, ik kan het goed verborgen houden. Hoewel: vorig jaar zat ik met hem in een kabelbaan: een regelrechte hel, want ik was erg bang dat ik hem eruit zou duwen. Dus pakte ik hem als bescherming heel stevig beet, om maar te zorgen dat hij niet kon vallen. Toen keek hij wel verbaasd. “Mama, wat doe je nou toch,” vroeg hij. Op sommige dagen verlang ik naar de dag dat hij achttien is, omdat hij dan minder afhankelijk van mij zal zijn en ik, hopelijk, daardoor minder last zal hebben van die rotgedachten ten opzichte van hem. Maar dat verlangen maakt me ook verdrietig. Want ik zou natuurlijk veel liever willen geníeten van nu hij nog jong is. Ik zou ook graag nóg een kindje willen, maar ik durf het niet aan. Zo’n klein kindje is zo afhankelijk van mij, zo kwetsbaar… Dat roept vast eindeloos veel dwanggedachten op. Liever richt ik mij op dingen die me afleiding bezorgen. Zoals zingen in mijn band. Wanneer ik op het podium sta voel ik mij vrij en sterk. Dan kan ik mijn zorgen van me afgooien en is het eindelijk weer rustig in mijn hoofd.’

Kader

Het hebben van dwanggedachten is een vorm van ocd (Obsessive Compulsive Disorder) ook wel de dwangstoornis genoemd. Bij ieder mens duiken wel eens vreemde, ongewenste gedachten, intrusies genoemd, op. Ze verdwijnen echter net zo snel als ze komen. Bij mensen met een dwangstoornis worden ze tot een obsessie. De dwangstoornis komt voor bij 2,5% van de mensheid. Vaak is er sprake van een erfelijke aanleg maar ook stress kan een trigger zijn voor het ontstaan van deze ziekte. Voor de buitenwereld is ocd veelal onzichtbaar, maar het veroorzaakt veel psychisch lijden. De stoornis is onder te verdelen in obsessies – misplaatste gedachten – en compulsies – dwangrituelen zoals smetvrees of poetsdwang, of het telkens moeten controleren van bepaalde dingen. Het heeft met de opname van serotonine te maken, maar hoe het precies werkt, is in de medische wetenschap nog niet bekend. Antidepressiva hebben invloed op de serotonineopname in de hersenen en kunnen een gunstige uitwerken. Maar vaak is het effect maar gedeeltelijk en komen de klachten terug als gestopt wordt met medicatie. Daarom is het goed om (ook) therapie te volgen.

© Lydia van der Weide

mei 2007

Meer informatie:

Angst, dwang en fobie Stichting (adf Stichting)

Hoofdstraat 122

3972 LD Driebergen

0900-2008711

www.adfstichting.nl

www.ocdvriendenkring.org

Het duiveltje van de geest. Een verkenning van het veelvoorkomende verschijnsel van dwangmatige kwade gedachten Lee Baer, Uitgeverij Nieuwezijds, 2001, € 20,95.

Leven met een dwangstoornis. Een dun maar zeer informatief boekje over de dwangstoornis, over verschillende uitingsvormen en behandelwijzen. – Fred Sterk & Sjoerd Swaen, Bohn Stafleu Van Loghum, 2001, € 17,30.

Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide