• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers » Viva » artikel ...


Merel brak met haar ouders


Merel (28) werd vanaf dat ze jong was fysiek en psychisch mishandeld door haar moeder. Haar vader bemoeide zich er niet mee, hij kampte met eigen problemen. Haar jeugd liet diepe littekens achter bij Merel. Toch onderhield ze contact met haar ouders, omdat ze het gevoel had dat dat nu eenmaal zo hoorde. Enkele jaren geleden besloot ze toch definitief met hen te breken

”Een paar jaar geleden heb ik het contact met mijn ouders verbroken. Het is een lange weg geweest om tot die beslissing te komen, maar ik sta er helemaal achter. Wel doet het bij vlagen nog pijn. Wanneer ik vriendinnen hoor vertellen dat zij, als ze zich niet goed voelen, een paar dagen bij hun ouders gaan uitzieken, denk ik: wat zou ik ook graag die mogelijkheid hebben. Ook de feestdagen zijn altijd weer moeilijk. Maar ik heb het geaccepteerd: ik heb wel ouders, maar ik heb niets aan ze. Ze zorgden ze alleen maar voor verdriet en frustraties. Ik heb nu voor mezelf gekozen, voor een leven met alleen maar léuke mensen om mij heen. Op mezelf sta ik er sterker voor.

Het is hard om te zeggen maar ik heb niet één leuke herinnering aan mijn vader en moeder. Ik ben opgegroeid met twee jongere zusjes. Al bij de geboorte van mijn tweede zusje, dat vijf jaar jonger is dan ik, ging het tussen mijn ouders niet goed meer; zij was eigenlijk bedoeld om het huwelijk te redden. Dat lukte niet: toen ik twaalf was gingen mijn ouders uit elkaar. De jaren daarvoor waren er veel toestanden geweest. Mijn vader had regelmatig last van psychoses. Dan zwierf hij verward over straat, raakte alles kwijt wat hij bij zich had, en werd door de politie opgepakt wegens overlast. Daarna werd hij telkens opgenomen in een psychiatrische kliniek. Aan mijn zusjes en mij werd verteld dat hij overspannen was. Gek genoeg herinner ik me er eigenlijk niet veel van. Zoveel veranderde er ook niet, als hij er niet was. Want in periode’s dat het wél goed met hem ging, bemoeide hij zich amper met ons. Hij las eindeloos de krant of zat naar Studio Sport te kijken. Twee jaar na de scheiding heeft kreeg hij nog eenmaal een psychose; sindsdien is het hem niet meer overkomen. Maar hoewel mijn band met hem zeer oppervlakkig was, wilde ik rond mijn vijftiende graag bij hem wonen. Bij hem mocht ik cola drinken, MTV kijken. Bij hem gebeurden er geen nare dingen. Bij mijn moeder wel.

Al op de basisschool had ik in de gaten dat mijn moeder anders was dan andere moeders. Mijn vriendinnetjes vonden haar nooit aardig; ikzelf vond haar ook niet aardig. Ze had het zwaar omdat het met mijn vader vaak niet goed ging. Dat is begrijpelijk, maar ze stelde zich op als slachtoffer en reageerde haar spanningen af op mijn zusjes en mij. Ik had het gevoel dat ik nooit iets goed kon doen, ik was dom en lui. En nooit was ik dankbaar genoeg dat zij in haar eentje zo goed voor ons zorgde. Nou ja, goed? Ik dacht daar heel anders over. Ze mishandelde ons, en niet alleen met woorden. Ook fysiek. Het kwam regelmatig voor dat ze ons in elkaar schopte, dingen naar ons hoofd gooide of ons aan onze haren de trap op sleurde. Eén van mijn ergste herinneringen is toen ik een jaar of acht was. Ik zat op mijn kamer te knikkeren. Kennelijk irriteerde dat geluid haar. Ze stormde de trap op en heeft me zo geslagen dat er een tand uit mijn mond vloog.

In de brugklas ben ik een tijdje gepest maar het kwam niet in me op om dat thuis te vertellen. Alleen al het idee dat mijn moeder mij zou zien huilen van verdriet, vervulde me met afschuw. Ze was geen steun, alleen iemand om bang voor te zijn. Zij bepaalde álles. Ons leven hing van regeltjes aan elkaar. Die werden niet gewoon meegedeeld, maar stonden op briefjes die door het hele huis hingen. Zoals: ‘Sluit het tuinhekje goed. Anders: een kwartje boete.’

In mijn dagboeken van vroeger lees ik dat ik op mijn tiende al gedachtes had dat ik weg moest thuis. ‘Het is gevaarlijk hier’ schrijf ik. En: ‘Ik ga dood van verdriet.’ Vanaf mijn veertiende overwoog ik serieus om weg te lopen. Maar waar moest ik heen? Bij mijn vader kon ik niet terecht, hij kon amper voor zichzelf zorgen en leefde altijd in zo’n troep. Op mijn vijftiende heb ik toch de stap genomen om weg te gaan. Ik ben naar een vriendinnetje gevlucht waar ik voorlopig mocht blijven. Terwijl mijn moeder daar voor de deur stond te discussiëren dat ik terug moest komen, kroop ik uit angst boven in een kast.

Jeugdzorg werd op de hoogte gebracht: het gesprek dat zij bij hen op kantoor tussen mij en mijn moeder regelden, liep volledig uit de hand. Mijn moeder werd woedend en vloog de hulpverleners aan. In allerijl werd de bewaking opgepiept. Op dat moment schaamde ik me kapot, achteraf ben heel blij dat het zo gelopen is. Want toen was direct duidelijk dat er écht wat mis was met haar. Ik werd in een pleeggezin geplaatst, mijn zusjes werden onder toezicht van een voogd gesteld. Dat ik hen in de steek liet, vond ik verschrikkelijk. Ik was de oudste, en voelde me verantwoordelijk voor hen. Het ergste was nog dat ik hen een lange tijd niet mocht zien van mijn moeder: ‘Dan had je maar niet moeten weglopen,’ zei ze. Later heb ik gehoord dat dat ‘onder toezicht staan’ niet veel inhield. De mishandeling is gewoon doorgegaan tot ook mijn zusjes, ook nog op jonge leeftijd, het huis uit gingen.

Het pleeggezin waar ik in terecht kwam was erg leuk. Het waren lieve mensen met drie kleine kinderen. Toch ging het niet. Ik zat maar op de bank te hangen en deed mijn mond haast niet open. Ik was voortdurend bang om iets fout te doen; maar zonder briefjes met regels wist ik niet hoe ik mij moest gedragen. Ik wilde zo graag dat ze me aardig vonden, maar hoe? Achteraf besef ik dat ik toen al behoorlijk depressief was. Na anderhalf jaar gaf het gezin zelf aan dat ze het niet langer aankonden met mij. Ik snap dat heel goed, zeker achteraf, maar op dat moment vond ik het vreselijk. Ik voelde me erg afgewezen. Wel heb ik altijd contact met hen gehouden en nu kunnen we heel goed met elkaar opschieten, ik kom nog regelmatig bij hen over de vloer. En ze hadden gelijk: in het begeleid-wonenproject waar ik terechtkwam, was ik beter op mijn plek. Daar woonde ik met meerdere jongeren die ook allemaal veel achter de rug hadden. Dat gaf steun. Op mijn achttiende ben ik zelfstandig gaan wonen. Die periode was vreselijk. Mijn vriendinnen woonden nog allemaal thuis; alleen ík woonde alleen. ’s Avonds was ik erg eenzaam en ik sliep heel slecht. Ik heb in die tijd veel afscheidsbrieven geschreven en stond regelmatig bij het spoor. Ook sneed ik in mezelf. Overal, zelfs op school, in de toiletten. Dan liep ik door de gangen en voelde zo’n enorme spanning dat ik mij een vulkaan voelde die op uitbarsten stond. Alleen snijden kon voor een ontlading zorgen. Toen ik ook nog paniekaanvallen kreeg, wist ik dat het echt misging. Ik ben toen in deeltijdtherapie gegaan, drie dagen per week. Dat was zwaar, maar het heeft me goed geholpen.

In die tijd kwam ik nog wel regelmatig thuis. Vooral voor mijn zusjes, maar ook omdat ik meende dat ik toch een band met mijn moeder moest onderhouden. Misschien hoopte ik tegen beter weten in toch op beter contact. Maar als ik er was, praatten we alleen over koetjes en kalfjes. Eenmaal zag ik bij mijn zusje een heel grote wond in haar gezicht. Toen ik ernaar vroeg, zei mijn moeder meteen: ‘Ze is tegen een kast opgelopen.’ Mijn zusje hield hetzelfde vol. Ik geloofde er niets van, maar ons was altijd zo ingeprent alles op te kroppen, dat zelfs wij zussen niet goed konden communiceren. Ook mijn vader was ik al die jaren af en toe blijven zien, maar dat contact was zó oppervlakkig. Hij vroeg mij nooit iets, niet eens waarom ik thuis was weggelopen of later hoe het was om zelfstandig te wonen. Iedere keer kwam ik weer gefrustreerd terug. Maar ik onderhield het contact omdat ik dacht dat het toch zo ‘hoorde’. Tot ik ging beseffen, mede door de therapie, wat een zware last het was.

Ik heb besloten hem te vertellen dat ik hem niet meer wilde zien. Dat is nu vier jaar geleden. Toen ik het aan mijn zusje vertelde, die op dat moment in hetzelfde studentenhuis woonde als ik, zei ze: ‘Ik breek ook met hem.’ Samen belden we hem op. Hij reageerde verbaasd maar accepteerde het zonder veel te zeggen. Daarna heb ik er nooit meer iets over gehoord. Ja, hij heeft nog wel eens een kaartje gestuurd, op mijn verjaardag bijvoorbeeld. Maar daar staat dan niet meer op dan ‘ groetjes’. Of ik niet zou willen dat hij moeite voor me zou doen? Ja natuurlijk, maar ik weet dat ik dat niet hoef te verwachten. Heel soms kom ik hem per toeval tegen. Dan groeten we elkaar. En dan blijft hij een tijdje door mijn hoofd spoken. En soms twijfel ik dan. Dan denk ik: zal ik toch het gesprek eens aangaan? Maar die gedachtes raak ik meestal snel weer kwijt. We zullen toch niet tot een gesprek kunnen komen.

Kort na de breuk met mijn vader heb ik ook met mijn moeder gebroken. Ik was haar blijven bezoeken, zelfs nadat mijn jongste zusje het huis uit was gegaan. Ze kwam op mijn verjaardag, we belden zo af en toe. Over het verleden spraken we niet. Tot ze me een keer vroeg: ‘Waarom ben jij toen eigenlijk weggelopen?’ Ik keek haar recht aan en zei: ‘Omdat jij ons lichamelijk en geestelijk mishandelde.’ Ze reageerde afwerend, afwijzend. Antwoordde: ‘Goh, dat kan ik mij helemaal niet herinneren.’ En: ‘Nou ja, áls dat al zo is geweest, dan was het niet de bedoeling hoor.’ Ik was perplex. Na deze uitspraak heb ik haar een half jaar niet gezien, tot ik haar aan de telefoon kreeg en vertelde, dat ik het contact wilde verbreken. Ik was de laatste; mijn zusjes zagen haar toen al niet meer. Mijn moeder zoekt bij vlagen nog toenadering; dan schrijft ze bijvoorbeeld een brief. Maar dan rept ze geen woord over wat er aan de hand is. Dan schrijft ze gewoon over haar dagelijkse bezigheden, over dat ik een reünie van mijn gymclub heb, bijvoorbeeld. Of ze belt me op, maar dan vertel ik haar kort en duidelijk dat ik niet op haar telefoontje zit te wachten.

Zoals mijn ouders reageerden op de breuk, bevestigt voor mij alleen maar weer dat ik het juiste heb gedaan. Toch heb ik er lang dubbele gevoelens over gehad. Om als kind je ouders in de steek te laten; het voelt onnatuurlijk. En je ouders zijn niet inwisselbaar, nóóit. Niemand kan die rol echt overnemen. Het is soms moeilijk om te zien dat anderen die onvoorwaardelijke liefde van hun ouders wél ontvangen, en ik dat moet missen. Niet dat ik het hen niet gun, natuurlijk, maar ik had het zelf ook zo graag willen hebben.

Ik heb veel therapieën gevolgd om rust in mezelf te kunnen vinden. Na die deeltijdbehandeling ging het een tijd beter, maar na een paar jaar kreeg ik veel last van nachtmerries. Ik heb toen EMDR-therapie gevolgd, een speciaal soort traumaverwerking. Dat heeft me erg geholpen. Door alle therapie heb ik eindelijk geleerd om te communiceren. Met een van mijn zusjes heb ik kort geleden voor het eerst gesproken over wat voor gevolgen onze jeugd voor haar hebben gehad. Daarvoor hield ze het altijd af om er over te praten, net als mijn jongste zus. Maar ik ben heel erg trots op hen. En ook op mezelf. We hebben alle drie een goede opleiding gevolgd, hebben een leuke baan, leuke vrienden; we zijn toch goed terecht gekomen. Dat hebben we puur aan onszelf te danken. Het lijkt mij leuk om in de toekomst zelf een gezin te hebben. Gelukkig heb ik een kijkje gehad in een normaal gezin, het pleeggezin waar ik woonde, dus heb ik ook enig idee over hoe het wél leuk kan zijn. Ik zou mijn kinderen vooral een gevoel van vertrouwen willen geven, en er onvoorwaardelijk voor ze zijn. Want zó vind ik dat de ouder-kind band zou moeten zijn…


Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide