• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers Viva artikel ...


Pesten op school


Pesten op school. Wat doet dat met een kind? Bij Elsie (nu 24) was dat pesten zo erg dat zij er een posttraumatische stressstoornis door opliep. Over die tijd op school vertelt zij hier. Hoe hield zij zich toen staande? Waardoor kon zij niet zelf ingrijpen? En waarom zag niemand wat er gebeurde, ook haar ouders niet? En vooral: hoe verwerkt zij deze gebeurtenissen achteraf?

Vanaf dat ik heel klein was werd ik gepest door een meisje dat erg bepalend was voor de hele klas. Marion heette ze. Ze was druk en driftig, iedereen was een beetje bang voor haar. Zij zocht een zondebok om zich op af te reageren en die zondebok was ik. Hoewel ik altijd heb gedacht dat ik het pesten ‘verdiend’ had, weet ik nu dat het toeval is geweest dat ze mij uitkoos. Ik was een makkelijk slachtoffertje. Ik was te lief, kon totaal niet van me af bijten. En ik was erg naïef. Als Marion eens aardig tegen me deed, deed ik direct aardig terug, want dan hoopte ik dat het vanaf nu allemaal goed zou komen. Daar lachte ze me om uit, natuurlijk, en vernederde me met nieuwe pesterijen. <

Marion sleepte de hele klas met zich mee. In de eerste jaren van de basisschool ging het vooral om kinderachtig jennen. Mij laten struikelen of dingen in mijn haar smeren. Mijn kleding verstoppen tijdens gymnastiekles, zodat ik in mijn onderbroek over de gangen moest. Of ze schopten me psychisch onderuit. Er was uitgelekt dat ik luizen had gehad en iedere keer wanneer de onderwijzer even de klas uitging, begon het in koor: ‘Luizen, luizen, luizen!’ Eerst zacht, dan luider. De kinderen die bij mij in de buurt zaten schoven hun tafeltje een stuk weg, alsof ik iets besmettelijks had.

De boodschap die ik meekreeg was duidelijk: niemand wilde bij mij in de buurt zijn, er moest wel iets heel ergs zijn met mij. Iedere ochtend werd ik met buikpijn wakker, ’s nachts had ik nachtmerries. Toch bleef ik positief. Elke dag had ik weer de hoop: misschien gaat het vandaag beter. Misschien willen ze me vandaag wél. Ik had trouwens wel wat vriendinnetjes, maar zag ze alleen buiten school. Diezelfde meisjes zaten ook in mijn klas, maar deden daar alsof ze me amper kenden.

Rond mijn tiende werd het pesten erger. Het bleef niet bij uitschelden of omverduwen. Duwen werd slaan, tot ik regelmatig volledig in elkaar werd geschopt. De eerste keer herinner ik me nog goed. Marion had mij opgedragen geld voor haar mee te nemen. Om eronder uit te komen, vergat ik het een paar keer express. ‘Als je het morgen niet meeneemt, grijpen we je,’ dreigde ze. De dag erna vergat ik het écht. Die middag werd ik opgewacht. Het voelde als een onvermijdelijk gevolg van het gepest dat altijd al had plaatsgevonden. Ik accepteerde het, ik was te lamgeslagen om te zien dat dit echt niet kon. Tegen mijn ouders zei ik niets. Zij stellen hoge eisen aan hun kinderen. Mijn broertje en ik moesten overal goed in zijn. Wat zou het erg voor hen zijn, als ze ontdekten dat ze een dochter hadden die niets waard was. Of wanneer ze het idee zouden krijgen dat zíj slechte ouders waren!

Achteraf neem ik het mijn ouders wel kwalijk dat ze niets in de gaten hebben gehad. Want ik kwam zo vaak thuis met builen en schrammen. Maar ik lachte het altijd weg: tja, van de fiets gevallen, dom hè. Dat pikten ze. Ik was vrij groot en ook verbaal leek ik sterk. Dus waarschijnlijk dachten ze: die dochter van ons, die redt zich altijd wel. Ze hadden geen idee dat er van die zogenaamde stoere Elsie níets overbleef, wanneer ik in de pauzes in een kast opgesloten zat. Ook op school hadden ze niets in de gaten. Er niet veel toezicht en er werd weinig straf uitgedeeld. En áls er al iets uitkwam, hield ik zelf de pesters de hand boven het hoofd, want ik was doodsbang dat ze me anders nog erger zouden pakken.

Eén keer hebben ze me in het zwembad bijna verdronken. Met een hele groep duwden ze me telkens heel lang onder water. Toen de badmeester kwam, deden ze juist alsof ze me net aan het redden waren. Maar daarna begonnen ze gewoon opnieuw. Naar het zwembad durfde ik hierna niet meer. Eigenlijk voelde ik me nérgens veilig, ik wist dat iedere situatie een pestsituatie kon worden.

Wat dat met een kind kan doen, dat weet ik nu pas. Al deze gebeurtenissen hebben bij mij namelijk een posttraumatische stressstoornis veroorzaakt, waar ik nu nog altijd last van heb. Ik ben letterlijk ziek gepest. Door alle vernederingen verloor ik beetje bij beetje al mijn zelfrespect. Ik besefte helemaal niet meer dat ik een mens was, met eigen wensen en rechten. In die tijd heb ik mij ook geregeld vrijwillig laten gebruiken voor seksuele experimenten. De jongens van mijn klas gebruikten me als proefkonijn en ik liet het gebeuren. Het kwam niet in me op dat ik het recht had om dat te weigeren.

Wanneer ik foto’s van mezelf zie uit die tijd, schrik ik. Mijn gezicht is uitgestreken, er is geen emotie in te herkennen. Dat niemand dat opmerkte, dat niemand ingreep, is haast niet te geloven. Blijkbaar speelde ik goed toneel. En zelf was ik ook niet in staat om in te grijpen.

Toen ik naar de middelbare school ging, had ik ervoor kunnen kiezen om naar een school te gaan waar ik niemand van mijn oude klasgenootjes zou tegenkomen, maar in plaats van die kans aan te grijpen, had ik er de moed niet voor. Bij deze kinderen wist ik tenminste waar ik aan toe was, stel dat het bij anderen nog erger zou worden?

En het eerste jaar viel bizar genoeg best mee. Ik werd redelijk met rust gelaten en dat gaf me zelfvertrouwen. Maar in het tweede jaar kwam het getreiter in volle hevigheid terug. Eén van hun stokpaardjes was dat ik vies was en dat ik stonk. Ik werd er heel opstandig van. Waarom zou ik me eigenlijk nog wassen? Waarom zou ik mijn haren nog kammen? Ik begon mezelf te verwaarlozen. En ik spijbelde vaak, deed niets meer aan mijn huiswerk. Ik zat op het VWO en had altijd goed kunnen leren maar nu haalde ik allemaal tweeën. Pas aan het eind van het jaar werkte ik even heel hard, en ging dan toch over.

In die tijd zijn er wel eens leraren geweest die me probeerden te helpen, maar ze konden me niet bereiken. Wanneer ze het probeerden, werd ik heel agressief. Ik wilde geen hulp, liever trok ik me in mezelf terug. Soms was ik gewoon even helemaal ‘weg’. Dan herinnerde ik me niets meer van bepaalde uren. En ik begon mezelf te snijden. Dat snijden kon op twee manieren werken: soms deed ik het om weer gevoel te krijgen, andere keren juist om de geestelijke pijn weg te duwen. Bovendien veroorzaakt snijden een adrenalinestoot. Als ik iets moest doen wat ik afschuwelijk vond, bijvoorbeeld naar een schoolfeest gaan, kon ik dat alleen opbrengen als ik mezelf eerst mutileerde.

Ik was nog maar vijftien toen ik mijn eerste zelfmoordpoging deed. Ik wilde niet meer, ik kon het niet meer opbrengen. Mijn ouders hebben me net op tijd gevonden. Eindelijk ontdekten zij zo toch wat er met mij aan de hand was. Ze schrokken verschrikkelijk en hebben me gedwongen om naar een andere school te gaan. Tot mijn grote verbazing lieten de kinderen mij daar met rust. Vooral de eerste tijd besteedden ze amper aandacht aan me. En als ze al wat zeiden, waren ze redelijk vriendelijk. Ik kwam eindelijk weer tot rust. Na verloop van tijd kreeg ik zelfs een paar vriendinnen. Alles wat ik de jaren ervoor had meegemaakt stopte ik opgelucht weg. Afgelopen, klaar: niet meer aan denken.

Een paar jaar heb ik dat volgehouden. Jaren waarin op mijn tenen liep, omdat ik het per se allemaal perfect wilde doen. Het leek te lukken. Ik kreeg zelfs een vriendje, heerlijk was dat. En al durfde ik bij hem niet echt mezelf te zijn, het was fijn om ‘normaal’ te zijn. Ik ging naar de theaterschool en daar dwong ik respect af, omdat ik sterk en zeker overkwam. Pas toen ik daar met een grote groep moest gaan samenwerken, merkte ik hoe ‘gehandicapt’ ik was. Ik wist helemaal niet hoe ik moest samenwerken of hoe ik me moest gedragen in groepen. Ik begon last te krijgen van ondefinieerbare angsten. Wanneer ik een klas inliep, begon ik te trillen. Dan móest ik het gebouw uit, anders zou ik flippen. Toen maakte mijn vriend het uit. Dat was de druppel. Weer de bevestiging: zie je, mensen houden gewoon niet van mij, ik ben niets waard.

De enige momenten waarop het nog redelijk met me ging, was wanneer ik veel dronk of drugs gebruikte, vooral XTC en pep. Dan ging ik uit, nachtenlang dansen. Daarna lag ik dagen in mijn bed in het studentenhuis waar ik woonde. Ook de zelfbeschadiging werd weer heftig en ik kreeg een eetstoornis. Vroeger had ik altijd te horen gekregen dat ik te dik was, terwijl dat onzin was. Nu durfde ik niet meer te eten met andere mensen erbij, uit angst voor afwijzing. In mijn eentje at ik juist dubbel zo veel. In korte tijd kwam ik heel veel aan, wat mijn zelfbeeld nog verder aantaste. Tot slot had ik veel lichamelijk klachten, zoals diarree, overgeven, trillen. In het ziekenhuis ben ik op allerlei dingen getest, en er zijn vele foto’s en echo’s gemaakt, maar er kwam niets uit.

Het moest haast wel iets met het pesten van vroeger te maken hebben, want ik kreeg ook last van herbelevingen. Door een bepaald geluid, een bepaalde geur of aanraking werd ik terug in de tijd geslingerd, en voelde ik me weer zoals ik me vroeger voelde, bijvoorbeeld zoals wanneer ik eindelijk eens mee mocht doen met verstoppertje, maar ze me opzettelijk vergaten te zoeken. Of hoorde ik weer het luizenkoor. Precies zo intens, net zo pijnlijk.


Toen het echt niet meer ging, ben ik in dagbehandeling gegaan. Een aantal dagen per week had ik intensieve therapie. In het begin was het een hel. Ik zat weer in een groep en dat vond ik juist zo eng. Ik voelde me zo bedreigd dat ik alleen maar van me aftrapte wanneer ik wat moest zeggen. Maar de groep bleef aardig voor me. En geduld hebben. En vragen hoe ik me nu voelde, en hoe dat kwam. Heel, heel langzaam kreeg ik wat vertrouwen in mijn groepsgenoten en in de leiding.

In therapie is toen de posttraumatisch stressstoornis vastgesteld. Daar kwamen ook al die lichamelijke klachten door, en al die herbelevingen. Ik heb jarenlang in een heel bedreigende situatie geleefd en dat heeft me veel schade toegebracht. Het is maar te hopen dat dat ooit nog helemaal overgaat.

In therapie kon ik voor het eerst in mijn leven boos worden. Waar haalden die kinderen het recht vandaan om me zo te treiteren? Had ik soms geen recht op een fijn leven? Ook ten opzichte van mijn ouders kon ik eindelijk woede voelen. Zij hadden mij moeten beschermen! Nu is die boosheid over, maar het was wel goed om erdoorheen te gaan.

Na anderhalf jaar van intensieve therapie was ik zover dat ik mijn leven weer kon oppikken. Ik kan nu redelijk functioneren, heb mijn angsten onder controle. Alleen heb ik nog wel last van herbelevingen. Meestal ontstaan die door een trigger. Bijvoorbeeld: wanneer iemand mij onverwacht van achteren beetpakt. Op zo’n moment sta ik niet voor mezelf in. Pas later kom ik dan weer bij mijn positieven. Zulke momenten zijn heel eng, omdat ik me echt weer kind vóel.

Ik volg op het moment een opleiding waar ik veel plezier in heb. Gewone contacten met mensen gaan best goed. Ik durf steeds meer van mezelf te laten zien en ik heb vriendinnen met wie ik een echt goede band heb. Maar liefdesrelaties zijn voor mij niet haalbaar. Ik durf niemand zo dichtbij te laten. Bovendien heeft seks een heel nare bijsmaak voor mij, te vaak heb ik niet mijn eigen grenzen kunnen aangeven.

Ik vind het verschrikkelijk jammer dat mijn jeugd zo is verlopen. Het had niet gehoeven. Ik vind dat er op scholen meer aandacht moet zijn voor pesten. Het is belangrijk om het te signaleren, en doeltreffend in te grijpen. Want het besef dat er kinderen zijn die op dit moment hetzelfde moeten meemaken als ik vroeger, maakt mij helemaal misselijk.’


© Lydia van der Weide

Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide