• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers Viva artikel ...


Dwangneurose

Het ontwikkelt zich vaak langzaam, maar is dan overheersend aanwezig: een dwangneurose. Je met iets doen, zonder dat je je kunt verzetten. Iets schoonmaken, iets eindeloos controleren, noem maar op. Je leven wordt er volledig door bepaald, ook al weet je dat het in wezen waanzin is wat je doet. Dwangneuroses uiten zich op heel verschillende manieren. Door het volgen van gedragstherapie is het mogelijk om er weer vanaf te komen. Nienke (32) vertelt over haar controledwang.

Ik denk dat veel mensen het wel kennen: het gevoel dat je per se een bepaalde handeling moet verrichten omdat je je dan beter voelt. Een deur dicht doen bijvoorbeeld, omdat je het niet verdraagt dat hij open staat. Kinderen kennen het ook al: 'Ik mag niet op de lijntjes tussen de tegels lopen, want anders…'. En veel mensen controleren het gas nog even een keer extra als ze een lang weekend weggaan, terwijl ze eigenlijk best weten dat het al uit is. Dat is allemaal niet erg. Maar als het zo uit de hand loopt dat je heel veel last krijgt van dit soort dwanggedachten en dwanghandelingen, is het belangrijk om er iets aan te doen. Het gaat namelijk niet zomaar over! Ik weet er alles van, ik heb een dwangneurose gehad. Zo erg, dat ik iedere dag enkele uren bezig was met het obsessief controleren van dingen. Ik wist dat het waanzin was, maar ik kon er niet mee stoppen.

Mijn klachten begonnen nadat mijn vriend depressief was geworden. Rick en ik hebben elkaar ontmoet in 1993 en hadden een goede relatie. In 1995 ging hij een half jaar als backpacker trekken door Australië en Nieuw-Zeeland. Ik heb hem daar op gezocht en in Melbourne hebben we ons verloofd. Toen hij terug was in Nederland had hij het erg moeilijk. Het lukte hem niet goed zijn oude leven weer op te pakken en langzaam raakte hij in een zware depressie. Het werd zelfs zo erg, dat hij eraan dacht zijn leven te beëindigen. Ik was de enige met wie hij daar over sprak. Verder hield hij voor iedereen de schijn op. Rick en ik woonden op dat moment zo'n 80 kilometer bij elkaar vandaan, en ik belde hem elke dag om te beoordelen of het tijd was om de huisarts of de crisisdienst in te lichten. Dat is een moeilijke overweging, want je wilt ook niet zomaar je maatje verraden. Ik was op dat moment 4e-jaars student Geneeskunde en wist wel een heleboel over depressies, maar absoluut niet hoe je ermee moest omgaan als het zo dichtbij komt. Ik voelde me dus erg machteloos. Ik neig sterk naar perfectionisme en kan er niet goed tegen als dingen anders lopen dan ik me had voorgesteld. Maar nu was ik de controle volledig kwijt.

Toen het na een half jaar met Rick weer wat beter ging, ging het met mij steeds slechter. Ik liep op dat moment co-schappen, die heel zwaar waren en ik begon me steeds rotter te voelen. Ik merkte langzaam dat ik wel erg veel tijd besteedde aan het controleren van dingen: is de deur wel dicht en op slot? Is het gas uit? Is de verwarming uit? Dat controleren deed ik niet één keer maar altijd meerdere keren achter elkaar, want ik was er nooit van overtuigd dat het echt goed was.

In het begin controleerde ik maar twee of drie keer, maar het werd steeds vaker. Als ik dan eindelijk wegliep van het gasfornuis of de deur, werd ik na een tijdje toch weer overvallen door de twijfel dat ik iets verkeerd had gedaan. En die twijfel kon ik alleen kwijtraken door weer terug te lopen. Weggaan uit het studentenhuis waar ik woonde was een drama, vooral als ik de laatste was. Voordat ik eindelijk de bus naar mijn ouders instapte, liep ik eindeloos van de bushalte naar mijn huis. Was de deur wel écht dicht? Had ik niets over het hoofd gezien? Stel dat hij nou niet dicht was, dan, dan….

Zo was het ook met de lampen. Waren ze wel echt uit? En met de koelkast. Als ik van de keuken naar mijn kamer liep, liep ik soms wel vijftien keer terug om te kijken of de koelkast echt wel dicht was. Als ik dan de trap op liep was ik aan het vechten om niet opnieuw te gaan kijken, maar ik kon me niet beheersen. Ik wist dat het nergens op sloeg, maar ik móest gewoon terug. Als ik het niet deed, riep dat zulke angstgevoelens op, dat ik geen andere keus had.

Wat er voor ergs kon gebeuren als ik niet terugging? Dan zou er energie verspild worden of, in het geval van de deur, dan kon er ingebroken worden. En dan zou dat míjn schuld zijn. Dat leek me het ergste. Ik was ontzettend bang voor kritiek, denk ik. Maar eigenlijk weet ik niet waarvoor ik zo bang was. Ik weet alleen dat ik een onverdraaglijk onrustig gevoel kreeg als ik niet toegaf aan de dwang. Bij mijn ouders was het nog erger. Wanneer ik de auto van mijn moeder leende, controleerde ik zo vaak of hij wel op de handrem stond, dat mijn moeder hem daarna haast niet meer van de handrem af kon krijgen.

Al deze controles kostten me iedere dag minstens een uur, maar vaker wel een paar uur. Ik had het gevoel dat ik gillend gek aan het worden was. En niet alleen was ik doorlopend aan het controleren, ook kreeg ik steeds meer moeite om het verborgen te houden. Want ik schaamde me ontzettend. Ik wist heel goed dat het onzin was wat ik deed, dus dat zouden anderen natuurlijk ook vinden. Ik was me steeds in bochten aan het wringen om niets te laten merken. Op een dag sprak Rick me erover aan. Het was hem opgevallen dat ik elke keer weer naar de autodeur liep om te kijken of die wel op slot was, of dat ik hem erop afstuurde om het te controleren.

Ten einde raad heb ik hem eerlijk verteld dat het me gewoon niet lukte om de twijfel uit mijn hoofd te krijgen. Ik vond dat heel eng, want ik was doodsbang dat hij mij voor gek zou verklaren en me nooit meer wilde zien. Maar hij reageerde heel begrijpend. Hij raadde me wel aan om hulp te gaan zoeken, maar op dat moment was ik daar nog niet klaar voor. Ik dacht: ik red het in mijn eentje wel. Als ik maar hard genoeg vecht tegen die dwanghandelingen dan gaat het wel over. Maar het werd alleen maar erger. Ik voelde me ook steeds beroerder. Ik was altijd op mijn hoede, had constant het onrustige gevoel dat er iets heel erg mis zou gaan.

Toen het zover kwam dat ik een keer na een aantal haltes uit de bus stapte om terug te gaan naar huis om daar nogmaals, voor de zoveelste keer, de deur te controleren kon ik er niet langer om heen. Er was iets helemaal mis met mij en in mijn eentje zou ik waarschijnlijk niet redden. Maar het was heel moeilijk voor mij om aan mezelf toe geven dat ik ziek was. Ik was zelf bijna arts! Maar diezelfde week volgde nog een keiharde confrontatie. Bij een praktijkles met simulatiepatiënten, moest ik als arts een gesprek voeren met een patiënte. Ik wist van te voren niet wat ze zou hebben. Alsof het zo moest zijn: de patiënte die ik kreeg was heel dwangmatig naar haar sleutels aan het zoeken en controleerde steeds de deur. Het drong natuurlijk meteen tot me door wat ze had. Ik voelde me door de grond gaan. Op de een of andere manier wist ik het gesprek nog redelijk te volbrengen maar na afloop was ik helemaal van slag. Inwendig schreeuwde ik het uit: Help me, dit heb ik ook!' Maar ik durfde niets te zeggen.

Van deze gebeurtenis raakte ik erg in paniek. Straks zou ik tijdens mijn stage nog meer van dit soort patiënten krijgen. Er moest iets gebeuren, en snel. Ik kon niet anders dan hulp zoeken. Ik heb het aan mijn moeder verteld en op haar advies heb ik de volgende dag een afspraak met mijn huisarts gemaakt. Hij was heel sympathiek en verwees me door naar een vrouwelijke psycholoog. Bij haar zou ik gedragstherapie volgen om van mijn dwanghandelingen af te komen.

Uit een vragenlijst die ik moest maken 250 vragen die met ja of nee beantwoord moesten, een vreselijke opgave voor iemand die over álles twijfelt bleek dat ik naast een dwangstoornis tekenen had van een depressie. Ook had ik een behoorlijke emotionele klap gehad van alle problemen van mijn vriend.

Dat ik aan mijn psycholoog precies moest vertellen wat ik allemaal controleerde, was heel erg moeilijk. Ik schaamde me zo. Bovendien was ik bang voor wat er zou gebeuren: zou ik misschien opgenomen worden? Moest ik aan de pillen? Het heeft me een paar gesprekken gekost om überhaupt eerlijk te vertellen hoe erg het met me was. Samen maakten we een lang lijstje van alles wat ik controleerde. Dat was heel confronterend, want het bleken wel 25 dingen te zijn. De dingen die onderaan op de lijst stonden die ik dus wel controleerde maar niet zo heel erg ging ik als eerste aanpakken. Dat was bijvoorbeeld nagaan of ik mijn sleutels en mijn portemonnee wel bij me had. Ik moest dat laten, met alle consequenties van dien. Vanzelfsprekend werd ik daar heel paniekerig van. Een dwanghandeling voer je namelijk uit om angst te onderdrukken. Want die angst wil je niet voelen, het is geen prettig gevoel. Als je de handeling waar je zo krampachtig aan vasthoudt opeens laat, grijpt de angst je naar de keel. Het was heel moeilijk om het vol te houden, en het lukte ook niet altijd. In het begin voelde ik me heel beroerd, maar langzaam ebde de angst weg. Dan moest ik weer andere controles gaan laten. Het was echt elke keer weer een gevecht met mezelf.

Maar na een tijd ging het beter. Langzaam pakten we al mijn dwangmatige handelingen aan. In totaal ben ik 8 maanden in behandeling geweest totdat ik van al mijn dwanggedachten en dwanghandelingen genezen was. In het begin ging ik twee keer per week, later werd het minder. We hebben veel gepraat over de vraag: hoe is het nou zover gekomen? Ik denk dat het in mijn geval deels erfelijk bepaald is. Ik zie in mijn familie wel dwangmatige trekjes. Daarnaast heeft het veel te maken met hoe ik in elkaar zit. Ik moet alles goed doen, en ik ben heel streng voor mezelf. Dit is iets wat bij mij hoort, en wat voor mijn gevoel al in mijn jeugd is ontstaan. Ik wilde graag aardig gevonden worden, en merkte al snel dat goede prestaties, bijvoorbeeld op school, aandacht en complimentjes opleverde van familieleden en leraren. Daarom deed ik altijd extreem mijn best met alles. Dat is een manier van leven geworden.

Nadat ik weer helemaal beter was en ik geen last meer had van dwanghandelingen, heb ik veel over dit onderwerp gelezen. De officiële naam van een dwangstoornis is een Obsessieve Compulsieve Stoornis, OCS. OCS komt veel voor. Naar schatting heeft 1 3% van de mensen heeft er last van, in meer en mindere mate. Ik vind dat schrikbarend veel. Veel van deze mensen blijven er jaren onbehandeld mee doorlopen. De schaamte is vaak heel groot. Bij OCS weet je heel goed dat het onzin is wat je doet, maar je kunt het niet stoppen. Daarom voelen mensen zich stapelgek. Vaak weten ze ook niet wat er aan de hand is. Ik zou daarom graag willen dat OCS wat meer bekendheid krijgt. Want hoe langer je wacht, hoe moeilijker je er nog van af komt. En je raakt het niet vanzelf kwijt. Ik ben inmiddels huisarts en ik vraag als mensen met psychische klachten bij mij komen ook altijd of ze last hebben van dwang. Vaak wordt dit ontkend, maar dan weten ze in elk geval dat als ze erover willen praten, ze bij me terecht kunnen.

Er zijn verschillende soorten dwangneuroses. Smetvrees bijvoorbeeld. Je hebt mensen die zo vaak hun handen wassen dat ze bij een dermatoloog belanden omdat hun handen helemaal zijn kapot gepoetst. Ook obsessieve schoonmaakwoede valt onder OCS. En dwanggedachten: steeds hetzelfde denken, dat je andere mensen kwaad wilt doen bijvoorbeeld, terwijl je dat absoluut niet wilt, of teldwang; dat je alles wat je doet moet tellen.

Wat goed kan helpen naast de psychologische behandeling zijn antidepressiva. Toen ik gedragstherapie ging volgen, wilde mijn psycholoog eigenlijk dat ik dat ook ging slikken. Op dat moment was ik nog erg tegen deze medicijnen, ik was bang dat het mijn werk zou beïnvloeden en dat ik veel bijwerkingen zou krijgen. Nu weet ik dat mijn angst niet gegrond was. Ik heb in mijn werk vaak gezien dat er goede resultaten behaald kunnen worden met antidepressiva om angststoornissen te behandelen en dat de bijwerkingen vaak erg meevallen.

Ik praat niet vaak over mijn dwangneurose. Helaas heb ik wat negatieve ervaringen. Er zijn mensen die het direct veroordelen. In de tijd dat ik therapie volgde heb ik mijn problemen een keer met een collega/vriendin besproken. Ik heb haar gebeld en huilend mijn verhaal gedaan. Ik hoopte op steun, ik had het zó nodig. Die avond heeft ze naar me geluisterd, maar daarna heb ik drie maanden niets van haar gehoord. Dat heeft me veel pijn gedaan. Hoewel ik weet dat OCS een ziekte is, schaam ik mij er nog steeds voor. Ik verbaas mij nog steeds dat mij zoiets heeft kunnen gebeuren. Maar dat heeft vast ook weer met dat perfectionisme van mij te maken. Toch heeft het me geleerd om mezelf beter te leren kennen. Je kunt wel vechten tegen jezelf, maar je bent wie je bent en daar moet je het mee doen.

Lydia van der Weide

Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide