• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers » Top Santé » column ...


Dag klein meisje

Twee maanden geleden alweer: in een trein lees ik mee over de schouder van mijn buurman en bijna dommel ik in slaap, als mijn maag zich samentrekt. Een kleine advertentie grijnst me toe. ‘Reünie Havo vijf, 1986, Het Anker.’ Ik houd mijn adem in. Kijk naar buiten en probeer krampachtig mijn hartslag onder controle te krijgen. Gezichten en stemmen wisselen elkaar af tot ik met mijn handen zo hard mogelijk tegen mijn slapen druk. Als steeds terugkerende dwanggedachten dwarrelen ver weggestopte herinneringen door mijn hoofd.

Moi, de algemene opinie van tegenwoordig: een sprankelende vrouw, vrolijk en zelfverzekerd. Goed in studie en werk; prominent aanwezig, altijd en overal. De leukste en liefste vriend van de wereld. Toch: onzichtbaar bezaaid met blauwe plekken, haast niet te traceren tenzij iemand er ruw zijn hand op legt, en verbaasd is wanneer ik opschrik.

Een greep uit duizend herinneringen: een verlaten meisje in een hoekje op het schoolplein. Of alleen aan een tafeltje, in een veel te grote aula. Buikpijn van verlegenheid, elke dag opnieuw. Geïntimideerd door superieure blikken. Klasgenoten die fluisteren en smoezen; het gegiechel, het gegrinnik, de grapjes. Maar ook, vooral misschien, het loodzware zwijgen. Het buitengesloten, het genegeerd worden: wij moeten jou niet, jij hoort er niet bij. Duizend keer anders. Duizend keer hetzelfde.

Mijn middelbare schoolperiode heb ik jarenlang veilig verbannen naar een ver plekje op de stoffige zolder van mijn geheugen. Maar tussen het fletse krantenpapier in de trein zie ik vanuit het niets weer een glimp van het verlegen kleine meisje dat ik vroeger was: ze kijkt me aan met bange ogen. Haar hart klopte mee met het ritme van de wielen van de trein. Vijftien jaar heb ik het meisje weggestopt, maar nu bezoekt ze me weer, 's nachts, tussen drie en vier, wanneer doorwaakte minuten uren lijken. Ik probeer van alles om haar te verjagen: ik bespot haar en scheld haar uit; kruip zo diep mogelijk weg in de troostende armen van mijn geliefde; koop in een vlaag van waanzin zomaar voor meer dan achthonderd euro aan nieuwe kleding en sleep — gelukkig maar — een veelbelovende nieuwe opdrachtgever binnen. Maar het kleine blozende meisje blijft me lastig vallen. Zwijgend vraagt ze me: ‘Wat is er mis met mij?’ Zonder woorden roep ik: ‘Niets, absoluut niets!’ Maar ze hoort me niet. Ze lijkt me niet te willen horen.

Na weken van doorzeurende slapeloosheid en inktzwarte nachten blijkt er maar één oplossing: de spoken van vroeger bevechten! Tweeënhalf uur badderen, poetsen, poederen, föhnen, borstelen, vijlen, lakken. Honderd vijftig minuten kleren uitproberen. Uiteindelijk hul ik me toch maar in mijn lange zwarte lievelingsjurk. Glittergel in mijn lange donkerrode haren. Ik lach naar mijn spiegelbeeld. Dag, vrouw van de wereld! Laat je niet kisten, heb maling aan alles en iedereen!

Diep haal ik adem als ik mijn vroegere school binnenstap. Alles, zelfs de geur benauwt me. Met moeite worstel ik me los uit de deken van beklemming. Na een innerlijk gevecht van een halve avond, waarin ik me zo sterk mogelijk probeer te houden en een stem in mijn hoofd me moed blijft inspreken, ontspan ik. En wat kan het leven mooi zijn: de monsters van destijds blijken gekrompen en verbleekt als een te warm gewassen truitje; gewone mensen in een gewone wereld waarin ik me goed en zeker voel als leuke, volwassen vrouw.

De ogen van mijn vroegere klasgenoten stralen verwondering uit. Ik zie ze denken: ‘Is dat Lissa?’ Yep. Dit is de nieuwe, de echte Lissa. Ik hoor mezelf ontspannen praten, grapjes maken. Mijn eigen stem vertelt verhalen over buitenlandse reizen, vraagt naar kinderen, informeert naar werk. Ik ben mezelf. Eindelijk! De stoerste ‘jongen’ van de klas, niet langer gekleed in een vaal leren jack maar in een keurig colbert, staart me vanonder lange wimpers aan. Ik werp onverschillig mijn haren naar achter. Vijftien jaar te laat, mannetje!

Als ik tenslotte het oude schoolgebouw verlaat overvalt me een gevoel van opluchting. Uitgelaten gooi ik mijn tas van me af en maak een onbezonnen radslag. Ha! Ik kom verkeerd neer: natuurlijk. Lachend en verdwaasd zit ik op de grond. Een ladder in mijn panty. Aan de overkant van de straat proest een klein rossig meisje het uit. Ze steekt vrolijk haar tong naar me uit. Ik knipoog; ze knipoogt terug. Als ik mijn hand wil opsteken om te zwaaien, is ze plotseling verdwenen.

Ik weet dat ik haar niet meer zal zien.

© Lydia van der Weide

Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide