• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers » Schaakwereld » column ...


"Ken jij dan schaken dan?"


Als op-en-top schaakleek stond ik acht jaar geleden voor het eerst achter de bar in Schaakhuis Gambiet te Amsterdam. (Sollicitatiegesprek met de heer des huizes: "What’s your name?" "Lydia ". "Do you play chess, Lydia?". "No, I don’t". "Mmm…. maybe you should learn it". "Well, I will try". "….Okay then: you are hired"). Met argwaan bekeek ik al die vreemde schakers, die zo absurd bezeten leken van hun spel.

Met mijn eigen schaakcarrière is het nooit wat geworden. Na wat halfslachtige pogingen tegen zogenaamde 'kneuzen' van Gambiet schaakte ik eens 'voor de grap' tegen fidemeester Aran Köhler. Mijn ene zet bleek, natuurlijk, nog stommer dan de andere en binnen tien minuten ben ik onder luid gejoel, terwijl anderen mijn gestuntel probeerden te redden, naar de wc gevlucht. Hoe logisch allemaal ook, toch heb ik me zelden in mijn leven dommer gevoeld. Als reactie daarop heb ik in Gambiet dan ook nooit meer een pion of paard aangeraakt, behalve bij het opzetten van de stukken tegen sluitingstijd. Gelukkig gaat dát me wel goed af.

Thuis had ik dan wel de beschikking over het schaakprogramma met de voor mij wonderbaarlijke naam Fritz 5 (scène in winkel: "Meneer, ik ben op zoek naar Dirk 5". Een glimlach. "Zeker onvoorbereid op pad gestuurd, dame?!") maar ik heb er, ondanks goede voornemens, slechts zeven minuten aan vergooid. Ongeveer. Nee, de enige met wie ik leuk kan schaken, is mijn vader: muziekje, wijntje, nootjes erbij, moppen over en weer, en zo af en toe een stuk verschuiven. Tot we er achter komen dat beider dames al minstens een kwartier ongedekt staan; nadat we allebei in het wilde weg wat paarden en torens hebben verschoven, kan de partij zijn voortgang vinden. Schande! Triester nog zijn de pogingen om, als de ander even niet oplet, snel een verloren pion weer op het bord te smokkelen. Dit geenszins uit overwinningsdrang, wat misschien nog te vergeven zou zijn, maar slechts uit baldadigheid; wanneer de misdaad niet wordt opgemerkt – en dat is vaak het geval –  is de lol er snel af. 'Kan een mens dieper zinken?' zal een gemiddelde schaker zich nu vast afvragen. Toch is mijn vader geen domme man, integendeel, maar dit terzijde. Maar dat bovengenoemd veredeld mens-erger-je-niet de naam schaken absoluut niet mag dragen is mij tegenwoordig goed duidelijk. Schaken is namelijk altijd, op welk moment van de dag dan ook en in iedere situatie, een bloedserieuze bezigheid waar hart en ziel in gestopt dient te worden. Ik houd het nu al vijf jaar bij het bekijken, vol bé- maar vooral vérwondering, van het onophoudelijke fanatisme van de schakers. Ik aanschouw de KNSB-avonden, waarbij iedereen gedreven en geagiteerd de ander wil overtuigen waarom zijn zet eigenlijk best briljant had kunnen zijn, maar ja, tja, het bij toeval toch net niet was. Dit in tegenstelling tot de stilte bij het Gambiettoernooi, de vele schakers die dan opeens op de Bloemgracht verzeild raken. Ik proef de spanning die er hangt tijdens die toernooien en geniet ervan.

Zinnen als 'Ik creëerde geen vluchtveld voor mijn koning', 'Ik probeerde er met een stukoffer doorheen te komen' of het simpele 'Paard e4!' zijn voor mij geen buitenaards gebazel, maar dagelijkse kost. Over hun spel zijn schakers nooit, never uitgepraat, dat heb ik allang ontdekt. Ook ík heb tegenwoordig de ziekelijke gewoonte om naast iemands naam, meteen de rating van die persoon te onthouden. Als ik bij hints het woord 'blunderen' zou moeten uitbeelden, zou ik zonder twijfel een zogenaamde schaakzet doen en vervolgens verwilderd naar mijn hoofd grijpen.

De verbazing blijft. Over de snelschakers die in rap tempo de hele nacht door blijven schaken alsof hun leven er vanaf hangt, in zo'n vergevorderde staat van dronkenschap dat ik geen toren meer van een pion zou kunnen onderscheiden. Over het immense verdriet om een verloren partij, wat dagen kan doorsudderen; de overwinning, die de stemming daarentegen tot ongekende hoogten kan brengen en waarover weken later nog tevreden kan worden nageknikt. En over het feit dat er, terwijl er zoveel interessante, informatieve dingen op internet te vinden zijn, op de Gambietcomputer vrijwel alleen ge-ICC-ed wordt. Ik voel de onuitgesproken hiërarchie die er heerst op schaakgebied, de verontwaardiging als iemand die met voeten treedt. En boven alles: het respect voor het spel.

En, last but not least; ik heb zelfs een vriend die schaakt. Diep in de nacht na de KNSB-dag wordt voor het gemak vergeten dat ik van schaken geen hout begrijp, en legt hij me tot in de finesses uit waarom Hans de V. altijd in tijdnood raakt. Er zijn dagen dat ik mij eerst door een stapel Schachwoche's moet worstelen om de keuken te bereiken (deze fletse krantjes lijken de merkwaardige eigenschap te hebben zich 's nachts te vermenigvuldigen) Zelfs kater Valentijn meent een aardig potje te kunnen schaken wanneer hij op tafel stoer en vol overtuiging de koning van het mooi opgezette schaakbord tikt.

Schaken maakt, hoe je het ook bekijkt, deel uit van mijn leven. Kijk, foutjes sluipen er nog steeds wel in. Een keer verprutste Caïssa I de kans op promotie tijdens een uitwedstrijd. Dit werd mij laat in de nacht verteld aan de Gambietbar; van ieders gezicht droop weer kommer en kwel. Ik probeerde snel de sfeer te redden. "Maar was het tenminste nog wel gezellig dan?" Nog net op tijd zag ik mijn gruwelijke fout in: "In het busje op weg er héén, bedoel ik natuurlijk!"

Tragisch genoeg hebben enige vriendinnen, die vroeger net zulke onbenullen waren als ik, ondertussen een aardig partijtje schaak geleerd. Ik blijf dus achter op eenzame diepten. Maar serieus erover nadenken om me er toch maar eens in gaan te verdiepen, dat doe ik niet. Ik heb al zoveel onafgemaakte projecten in mijn hoofd dat het alleen tot een nieuwe frustratie zou leiden. Nee, ik denk persoonlijk dat ik mijn kunde van het Chinees pokeren maar beter weer eens wat kan uitdiepen, op warme zwoele zomeravonden aan de tafel voor Gambiet, met een witbiertje onder handbereik. Schaken bewaar ik voor in een volgend leven.

Oktober, koud, zonnig. Aarzelend stond ik voor het pand waar het Eijgenbroodtoernooi gehouden werd. Ik zette mijn fiets weg en vroeg aan een voorbijganger of hij wist of dit inderdaad het juiste gebouw was. De man keek me verward aan. "Of ze hier binnen schaken?" reageerde hij, in plat Amsterdams. Hij haalde zijn schouders op. "Daar vraag je me wat….. maar wat moet jij bij die schakers? Ken jij dan schaken dan?"

Ik antwoordde: "Ja meneer, ik kén het wel maar ik kán het niet".

© Lydia van der Weide

Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide