• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers » Kronkel » column ...


Herman de tientjestovenaar

Bij sommige mensen kun je je nog precies herinneren wanneer je hen voor het eerst hebt ontmoet. Je weet nog wat voor jas ze droegen, wat voor indruk ze op je maakten en waar het eerste gesprek over ging. Andere personen wandelen geruisloos je leven binnen. Nooit valt meer te achterhalen wanneer ze je voor het eerst opvielen. Plotseling zíjn ze er gewoon en maken ze deel uit van je dagelijks bestaan.

Zo ging het met Herman, een onopvallende zwijgzame man die geregeld ons café bezocht. Niemand weet wanneer hij opdook, maar ineens behoorde hij tot de stamgasten. Drie of vier avonden in de week zat hij aan zijn eigen tafeltje, vlakbij de verwarming. Als hij binnenkwam bestelde hij koffie, wachtte stilzwijgend bij de bar tot zijn bestelling klaar was en schuifelde naar zijn plaatsje. Daar slurpte hij stilletjes uit zijn kopje. Hij las niet, hij praatte niet. Zijn lange legergroene jas trok hij nooit uit, zijn smoezelige sjaal hing op de grond.

Op een poging tot een gesprek ging hij zelden in. Wel knikte hij ons altijd vriendelijk gedag. Ik vroeg hem wel eens: “Hoe gaat het, Herman?” “Goed hoor”, antwoordde hij dan. En ontsnapte vervolgens veilig naar zijn eigen eilandje bij de verwarming. Niemand lette erg op Herman. Tot iemand eens ontdekte dat hij vaak als in een trance met gespreide open handen een paar centimeter boven de tafel draaiende bewegingen maakte. De bewegingen waren soms amper waar te nemen; andere keren bewoog zijn hele bovenlichaam mee. Soms mompelde hij er wat onverstaanbare woorden bij. “Hij probeert tientjes te toveren!” opperde iemand voor de grap. En omdat niemand een zinniger verklaring voor de geheimzinnige bewegingen van Herman kon bedenken, werd het al gauw een vaststaand feit: Herman tovert tientjes. Wanneer Herman per toeval ter sprake kwam, wanneer hij er niet was, duidde men hem aan als ‘die man van de onzichtbare tientjes’. Dan wist iedereen genoeg.

Een enkeling maakte wat meer contact met Herman. Zo kwamen we te weten dat hij op een woonboot in de buurt woonde. Zijn overmatig koffiegebruik deed een alcoholachtergrond vermoeden; zeker wist niemand het. Het spoor van lege medicijnenstrips waar hij gelopen en gezeten had maakte wel duidelijk dat hij een heel verleden met zich meesleepte.

Omdat Herman alleen koffie dronk, maakte ik er als barvrouw een gewoonte van om aan het eind van de avond de koffie die er in onze thermoskan nog over was gratis aan Herman te geven. In zijn ogen verscheen dan een twinkeling. Heel even maar. “Graag!” zei hij, wanneer ik met mijn thermoskannetje bij hem kwam. “Het is wel stokoude koffie hoor,” waarschuwde ik hem keer op keer. Iedere keer antwoordde hij: “Dat geeft helemaal niets.” Die twinkeling in zijn ogen was genoeg om aan de hele avond, ook wanneer het saai, stil of simpelweg buitengewoon vervelend was geweest in ons café, een vrolijk tintje te geven; reden om diep in de nacht toch met een goed gevoel naar huis te fietsen.

Ik heb éénmaal een andere kant van Herman gezien. Op een avond kwam hij met ferme pas het café binnen. In plaats van stil zijn beurt af te wachten in een hoekje bij de bar nam hij plaats op een barkruk tegenover me. “Hé!” zei hij monter, “hoe gaat het met je?” “Uitstekend,” mompelde ik beduusd. “Eén koffie graag,” bestelde hij opgewekt, “en, weet je, neem zelf ook wat!” Hij glimlachte; ik lachte terug. Jammer genoeg ging toen de telefoon, of kwam er een andere bestelling, of werd er geklaagd over de muziek; ik weet het niet meer, maar tot een nader gesprek kwam het niet. Hij schuifelde zoals altijd met zijn koffie naar z'n tafel. Vanaf een afstand hief ik mijn glas jus d'orange naar hem op: “Bedankt hè! Proost!” Als ik aan Herman denk, denk ik aan dát moment; misschien had hij me die keer een heel kleine blik in zijn zwijgzame, geheimzinnige bestaan willen gunnen. Zo'n moment is nooit meer voorgekomen. Want even geruisloos als Herman stamgast van ons café werd, zo geruisloos verdween hij ook weer. Het duurde weken, misschien wel maanden, tot we beseften dat Herman wel erg lang niet meer gesignaleerd was.

Soms, heel soms, spraken we nog over hem. Waar zou hij zijn? Waar zou hij nu zijn koffie drinken? Maar steeds vaker kwam het voor dat bij het gesprek mensen zaten die Herman nooit gekend hadden. Dan legden we uit hoe legergroen zijn jas was geweest, en dat hij altijd tientjes toverde. En altijd voelde ik een beetje gemis naar die zwijgzame man. Werd ik bekropen door een klein beetje treurnis over het leven van een man die we jaren kenden, maar waar niemand iets over wist.

Na een hele tijd hoorden we het gerucht dat Herman van zijn woonboot was gezet en dakloos in een andere wijk van de stad zwierf. Heel af en toe vertelde iemand dat hij Herman ergens had zien rondscharrelen, of in een snackbar had zien zitten. Zwijgend. Of pratend. Alleen. Of tegen een plant. Ik vraag me af of hij nog wel eens tientjes tovert. Misschien is hij wel overgestapt op honderdjes. Of op biljetten van vijfhonderd! Wie weet of hij er ooit in slaagt. Ik hoop dat hij dan een woonboot in de buurt koopt en ons café nog eens binnenstapt. De vertrouwde, stokoude koffie staat voor hem klaar.

© Lydia van der Weide

Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide