• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers AvantGarde interview met ...


Sophie van der Stap

Sophie van der Stap (24), het meisje met negen pruiken, is uitgegroeid tot een volwassen schrijfster die bewust in het leven staat. In Een blauwe vlinder zegt gedag verhaalt ze over haar reizen over de hele wereld en haar zoektocht naar zichzelf.

Twee jaar geleden debuteerde Sophie van der Stap met een boek waarin ze beschreef hoe haar leven totaal onverwacht tot stilstand kwam. Vierenvijftig weken lang bezocht ze ziekenhuizen, in gevecht tegen kanker. Haar dagboekenfragmenten uit die tijd vormen een bestseller, die niet alleen Nederland en Duitsland veroverde, maar nu ook uitkomt in landen als Italië, Portugal en Litouwen. Een blauwe vlinder zegt gedag gaat verder waar Het meisje met negen pruiken stopte. Hoe pik je de draad van je leven weer op als je een jaar lang alleen maar met óverleven bezig bent geweest? Onder meer door te reizen, ontdekte Sophie. Maar bovenal door te schrijven.

Sophie:

‘Vroeger reisde ik ook veel. Maar dat was anders dan nu. Ik ben altijd heel nieuwsgierig geweest en reizen stond voor mij voor ontdekken. Ik wilde weten wat er allemaal in de wereld te zien was, te beleven viel en hoe ik mij op andere plaatsen zou voelen. Als kind wilde ik ooit op de maan landen. Later raakte ik gefascineerd door Tibet. Ik ben ernaar toe gereisd, alleen. Achttien was ik. En het was net zo bijzonder als in mijn dromen. Die grote vlakte, de stilte, de bergen. Je voelt je erin opgaan. Het is een eenheid waar je zelf deel van wordt. Een heel klein deel maar, dat wel, maar toch: een deel.

Tijdens al mijn reizen bleef ik naar de bergen trekken. De kracht die ze uitstralen heb ik ook altijd in mezelf gezocht. Daarom zocht ik bewust de avontuurlijke situaties op, zoals in mijn eentje wakker worden in Kasjmir of verstopt onder een burka door Iran trekken. Dat heeft me sterk gemaakt. Ik geloof dat geluk tussen je oren zit; het doet er niet toe waar je bent. Mijn ziekte heeft dat besef alleen maar groter gemaakt. Zelfs in een ziekenhuisbed kun je plezierig ontwaken. En in een heerlijk huis met een grauw gevoel.

Nu ik weet dat ik het overal naar mijn zin kan hebben, is reizen voor mij vooral: rust vinden. In Nederland is mijn leven elke dag gevuld. Er zijn rinkelende telefoons, piepende e-mails, verwachtingen die aan me kleven. Al die mogelijkheden, hoe leuk ook, kunnen beklemmend zijn. Zodra ik weg ben, ontstaat er ruimte. Dat biedt me de kans om mijn gedachten vorm te geven en op papier met woorden te spelen.

Voor Een blauwe vlinder zegt gedag ben ik een periode naar Buenos Aires geweest. Ik koos voor die stad omdat ik er al langer naar toe wilde en het leek me de perfecte plek om ook in mijn boek te verwerken, mede vanwege de lange geschiedenis. En ik ben gek op de Spaanse taal. Natuurlijk heb ik het daar soms moeilijk gehad. Vooral de eerste dagen was ik eenzaam. Ik kende niemand en ik dacht: wat dóe ik hier, dit heb ik toch allemaal al eens gedaan, waarom wéér? Maar ik had een fijn appartement gehuurd en ik ben lekker veel eten gaan halen en heel veel bloemen. Ik heb extra vazen gekocht, zodat ik de bloemen zelfs in de badkamer kon neerzetten. Ik heb mijn kleding her en der door het appartement verspreid en ben luid tangomuziek gaan draaien. Door leven in het appartement te brengen werd het mijn plek, mijn thuis. Al snel ontmoette ik nieuwe mensen en vond ik een ritme. Zo loste de eenzaamheid op. Tja, de eerste dagen zijn gewoon niet altijd leuk, maar dat weet ik van tevoren. Daarom ben ik ook niet bang voor dat verloren gevoel. Ik zet een knop om en verman me. Ik weet nu dat ik dat kan.

Vlak na mijn eerste boek kon ik dat niet. Toen werd ik voor een lange periode iedere dag wakker met het zeurende gevoel: en wat nu? Ik was weer beter, had opnieuw alle tijd, maar kon mijn draai niet vinden. Een jaar lang was ik bezig geweest met overleven. Alleen maar bezig met zo goed mogelijk voor mijn lichaam en geest te zorgen en alles wat niet goed voelde uit te bannen. Na vierenvijftig weken ziekenhuis in, ziekenhuis uit, had ik een lege agenda. En een leeg gevoel. Ik had zolang alleen in de vrijheid van het nu geleefd, dat ik niet meer wist hoe ik met een toekomst moest omgaan. Hoe kon ik zaken die ik gisteren nog totaal onbelangrijk vond, weer boeiend gaan vinden? Mijn studie bijvoorbeeld. Toen ik ziek werd, zat ik in het derde jaar politicologie. Maar weer dagelijks gaan studeren leek zo onwezenlijk. Zo zinloos, zonde van de tijd die ik eindelijk weer had. Bovendien wilde ik me niet meer vastleggen, mijn eigen ik en vrijheid niet opgeven.

Ik heb me in het schrijven vastgebeten. Dat bood me houvast, een richtingaanwijzer. Een belangrijke rol daarbij speelde mijn vriendin Chantal, die vorig jaar overleden is aan kanker. Toen ik haar leerde kennen was ze al ongeneselijk ziek. Ze was op en top levensgenieter, niemand kon lachen zoals zij. Zij was het die mij vroeg haar verhaal verder te vertellen. Dit zette mij uiteindelijk aan tot mijn tweede boek. Ook de titel verwijst naar haar. De voorlopige titel luidde Ik leef, maar toen Chantal daar op haar sterfbed naar vroeg durfde ik die woorden niet uit te spreken. Kort nadat ze was gestorven, werd ik bezocht door een blauwe vlinder. Die zag ik later overal in terug. Overal dook ze op, Chantal. Magisch. Het is ontzettend verdrietig, maar ik denk niet: waarom is zij wél dood en ik niet? Ik zou die vraag net zo gemakkelijk anders kunnen stellen. Waarom kreeg ik kanker toen ik eenentwintig was? Daar is toch geen antwoord op, het heeft geen zin er lang bij stil te staan.

Mijn ziekte heeft mij veel afgenomen maar uiteindelijk ook veel gebracht. Het heeft me een harde duw gegeven bij de zoektocht die iedereen aangaat in het leven: wie ben je, wat wil je, wat maakt je gelukkig? Bij die zoektocht is het net alsof ik een heel scherpe bocht heb genomen. Zo weet ik nu dat ik wil schrijven, dat dit bij me past. Dat is mijn doel, mijn Ziel, zoals de Duitsers het zo mooi zeggen. Ook ben ik beter geworden in keuzes maken. Ik heb altijd alle deuren geopend en dat doe ik het liefste nóg, maar ik weet beter wat ik echt belangrijk vind. Dat maakt het makkelijker om nee te zeggen, zonder daar onrustig van te worden. Ik heb geleerd mijn prioriteiten te stellen. Ook nu heb ik weer een lijst gemaakt van wat er voor mij echt toe doet. Na mijn tweede boek wil ik eerst een paar maanden uitblazen maar ik heb me ook bewust afgevraagd: waarom was ik ook alweer met de studie begonnen die ik deed? Gedreven door een moraalridderachtig idealisme deed ik de specialisatie ontwikkelingssamenwerking. Hoe zet je zo’n verlangen om in iets praktisch? Momenteel lijkt alles samen te komen in Cambodja. Ik denk erover om in september daar met een nieuw project te beginnen. Ik heb al jaren een zelfgemaakte, volgehangen ketting, met van alles en nog wat. Onder andere schelpen, en sinds kort ook een blauwe vlinder. Ik merk dat modebewuste mensen uit mijn omgeving hem vaak erg mooi vinden. In samenwerking met mensen uit Hongkong, waar ik regelmatig kom omdat mijn zus daar woont, heb ik een idee om met de commercialisering van dit soort sieraden geld in te zamelen en zo een nieuw bestaan mogelijk te maken voor de slachtoffers van de seksindustrie in Cambodja en buurlanden. Ik ben geen Moeder Theresa hoor. Ik geloof alleen dat we allemaal lekkerder slapen als we een beetje helpen.

Met dit plan kan ik drie dingen combineren: creatief bezig zijn, vredig in slaap vallen en lekker in Azië zijn, met de zon op mijn hoofd en mijn voeten in het zand. Azië trekt me enorm, en dit werk lijkt me heel nuttig. Alles valt samen voor mij, dat is belangrijk. En ik leef graag in projecten waarvan het einde in zicht is; telkens per blok kijk ik hoe ik mijn bestaan wil inrichten. Na Azië, waar ik een maand of drie zou willen blijven, denk ik dat ik een periode Frans ga studeren aan de Sorbonne. En daarna zie ik wel weer. Eén ding weet ik wel: centraal in mijn toekomstplannen staat het schrijven. Dat is het enige waaraan ik mij voor een aantal jaren zou kunnen vastleggen, omdat dat echt iets van mezelf is. Maar voor mijn volgende boek wil ik echt rust nemen. Bij dit laatste is tijdens het schrijfproces nog veel veranderd. Een volgende keer zou ik al van te voren alle puzzelstukjes willen hebben uitgeplozen. Ik heb nu drie ideeën opgeschreven, waarvan een steeds meer vorm gaat krijgen. Dus wie weet.

Als het niet lukt met schrijven, heb ik nog een plan B. Dan pik ik gewoon mijn studie op. Of ga Frans studeren. Of Spaans. Ik heb overal weer zin in. Ik ga wel heel bewust met mijn tijd om, nog steeds. Als ik op een plek sta waar ik het helemaal niet naar mijn zin heb, waar ik alleen ben omdat een ánder dat graag wil, dan knaagt het aan me. Dan denk ik: wat doe ik hier? Tegelijkertijd wil ik geen stress meer toelaten. Dus als ik merk dat ik me zo voel probeer ik tegen mezelf te zeggen: laat het maar, golf maar mee, morgen kun je weer lekker doen wat jíj wilt.

Mijn ziekte heeft mij sneller volwassen gemaakt. Dat voelt soms als een muur tussen leeftijdsgenoten en mij. Ik ben gewoon met andere dingen bezig. Soms denk ik: Sophie, je gedraagt je als een oude taart. Maar ik lig om twaalf uur ’s avonds liever in mijn bed om de ochtend te pakken, in plaats van de nacht te plukken. Ik ben niet zo wild meer. Uitgaan kán heel leuk zijn en als er goede muziek is vind ik dansen heerlijk, maar vaak is het zo nietszeggend. Toch heb ik na mijn ziekte een tijd als party reviewer voor NL20 gewerkt; het bood mij een geweldige kans om terug een leven in te gaan waar dood geen rol speelt. Van jonge patiënt kon ik daar gewoon jong meisje zijn. Maar ik heb het maar twee maanden gedaan; mijn opvolger is er vast veel beter in! Veel van mijn vrienden zijn ouder dan ik, hebben hun plek al gevonden. Ook de mannen in mijn leven zijn ouder. Tijdens mijn ziekte had ik een relatie met een van mijn beste vrienden, die is nu zesenveertig; nadat ik beter was ben ik heel erg verliefd geworden op een man die ik in mijn boek Timo noem. Ook hij was zesenveertig. Met hem ben ik acht maanden samen geweest, ik was zó gek op die man. Ik ontdekte een heel nieuw gevoel: dat het mogelijk is om volledig samen met iemand te zijn en tóch zelfstandig en alleen te zijn. Het is niet gelukt tussen ons. Daar ben ik erg verdrietig om geweest. Helaas, het is niet anders. Maar ook de mannen na hem, ook alleen maar de gekke flirts, ja: ze zijn allemaal wat ouder, minstens dertigers. Natuurlijk heb ik me vaak de vraag gesteld: waarom? Ik kom daar niet uit. Misschien om dezelfde reden waarom ik oudere vrienden heb, ik voel meer verbondenheid. Maar het is altijd al een rode draad in mijn leven geweest; zelfs mijn allereerste vriendje was een heel stuk ouder. Kennelijk zit het gewoon in me.’

Sophie van der Stap werd geboren op 11 juni 1983. Na haar eindexamen gymnasium reisde ze onder meer naar Tibet, Nepal, India en Iran. Hierna schreef ze zich in Amsterdam in voor de studie Politicologie en koos voor de specialisatie ontwikkelingssamenwerking. Toen ze 21 was, werd er kanker ontdekt in haar rechterlong. 54 weken werd ze behandeld, waarna ze schoon werd verklaard. Enkele dagboekfragmenten werden gepubliceerd in het NRC; later vormden ze het boek Meisje met negen pruiken, dat in 2006 uitkwam (Prometheus, € 15,00). Ook ging Sophie schrijven voor NL20, als party reviewer. Op 17 april 2008 verscheen haar tweede boek: Een blauwe vlinder zegt gedag (Prometheus, € 14,95).

Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide